De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde het beroep van een omwonende tegen de verleende ontheffing aan de stichting Koninklijke Luchtmacht Historische Vlucht voor medegebruik van de militaire luchthaventerreinen Woensdrecht en Gilze-Rijen. De ontheffing werd verleend door de ministers van Defensie en Infrastructuur en Waterstaat, maar de omwonende stelde dat de ontheffing onzorgvuldig was omdat essentiële voorwaarden ter beperking van geluidsoverlast ontbraken.
De rechtbank oordeelde dat de ministers een zorgvuldige belangenafweging hadden moeten maken en vooraf de minimale voorwaarden hadden moeten vaststellen om onevenredige nadelige gevolgen voor omwonenden te voorkomen. Het besluit waarbij de ontheffing werd verleend liet de inhoud van deze voorwaarden over aan de commandant van de vliegbasis, wat in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel en de rechtsbescherming van omwonenden ondermijnt.
Verder werd geoordeeld dat de termijn van de ontheffing correct was en dat de gebruikte geluidsberekeningsmethodiek conform de wettelijke voorschriften was. De toezeggingen van de staatssecretaris over vliegvrije zondagen waren voorgenomen maatregelen en geen harde voorwaarden. De rechtbank vernietigde de ontheffingsbesluiten en gaf de ministers acht weken om een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Het betaalde griffierecht werd aan eiser vergoed.