Eiseres, werkzaam als bloedprikster, kreeg aanvankelijk een WIA-uitkering geweigerd wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid. Na hernieuwde ziekmelding werd haar een Ziektewetuitkering toegekend, die het UWV per 2 december 2019 beëindigde op grond van een medische beoordeling dat zij weer arbeidsgeschikt was.
Eiseres stelde dat haar psychische aandoeningen (borderline, dwangmatigheid, ADHD) en lichamelijke klachten (rug- en nekhernia) haar verhinderen te werken. Zij ontving behandelingen en therapie, maar het UWV baseerde haar besluit op rapporten van een arts en een verzekeringsarts bezwaar en beroep (b&b), die concludeerden dat haar beperkingen niet waren toegenomen en zij geschikt was voor lichte functies uit de arbeidsmogelijkhedenlijst.
De rechtbank oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was, dat de subjectieve klachtenbeleving niet doorslaggevend is, en dat de verzekeringsarts b&b voldoende inzicht had in de medische situatie. De rechtbank vond de motivatie van het UWV voldoende en zag geen reden om af te wijken van het oordeel dat eiseres per 2 december 2019 arbeidsgeschikt was. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.