Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Onderzoek van de zaak
2.De tenlastelegging
3.De voorvragen
4.De beoordeling van het bewijs
dat de accijns verschuldigd is op het tijdstip van ontvangst van de accijnsgoederen door de vergunninghouder [Naam 1]. Hoewel artikel 53a van de Wet op de accijns een opening biedt om pas een dag of een week na de ontvangst van de goederen de accijns op aangifte te voldoen – zoals door de partijen naar voren is gebracht – en de FIOD in het dossier de algemene opmerking maakt dat een bedrijf in overleg met de Douane een dag- of weekaangifte kan doen, is hierover geen concrete afspraak uit de voor [Naam 1] geldende voorwaarden of elders uit het procesdossier af te leiden.
5.De beslissing
spreekt verdachte vrijvan de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten.