Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Onderzoek van de zaak
2.De tenlastelegging
3.De voorvragen
4.De beoordeling van het bewijs
5.De beslissing
spreekt verdachte vrijvan het tenlastegelegde feit.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde op 15 oktober 2020 de zaak tegen verdachte die ervan werd verdacht met een GPS-tracker onder de auto van een ander gegevens te hebben afgetapt. De officier van justitie achtte het ten laste gelegde feit bewezen, terwijl de verdediging stelde dat het apparaat slechts locatiegegevens registreerde en geen sprake was van het afluisteren of aftappen van telecommunicatie.
De rechtbank oordeelde dat de GPS-tracker een plaatsbepalingshulpmiddel is dat alleen de locatie van de auto vastlegt en dat er geen sprake is van het aftappen van telecommunicatie of andere gegevensoverdracht van een geautomatiseerd werk van derden. De gegevens werden opgeslagen op een eigen datakaart van de tracker en waren alleen toegankelijk via apparatuur in eigendom van verdachte.
De rechtbank verwierp de bezwaren van de verdediging tegen de ontvankelijkheid van het OM, waaronder het opportuniteitsbeginsel, het gelijkheidsbeginsel en de overschrijding van de redelijke termijn. Gezien de technische werking van het apparaat en het ontbreken van een verbinding met een geautomatiseerd werk van derden sprak de rechtbank verdachte vrij van het ten laste gelegde feit.
Uitkomst: Verdachte is vrijgesproken omdat het gebruik van de GPS-tracker niet kwalificeert als wederrechtelijk aftappen van telecommunicatie of gegevens.