Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2020:492

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
14 januari 2020
Publicatiedatum
5 februari 2020
Zaaknummer
8185331 OV VERZ 19-7464
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:435 lid 4 BWArt. 1:436 lid 3 BWArt. 1:452 lid 4 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Instelling meerderjarigenbewind en mentorschap wegens dementie

De dochters van een man geboren in 1947 hebben bij de rechtbank verzocht om instelling van een meerderjarigenbewind en een mentorschap over hun vader vanwege diens geestelijke toestand. De vader lijdt aan dementie, gediagnosticeerd in 2016, en is sinds september 2019 toegelaten tot de Wet Langdurige Zorg. De levenspartner, die eerder zijn zaken regelde, is recent overleden.

Tijdens de mondelinge behandeling op het woonadres van de vader gaf deze aan geen hulp nodig te hebben en alles zelf te kunnen regelen. De kantonrechter constateerde echter dat de vader duurzaam niet in staat is zijn belangen behoorlijk waar te nemen vanwege gebrek aan ziekte-inzicht en achteruitgang door dementie. De dochters zijn bereid en geschikt om als bewindvoerders en mentoren op te treden, en hun benoeming sluit aan bij wettelijke voorkeuren.

De kantonrechter stelde het verzoek daarom toe, benoemde de dochters tot bewindvoerders en mentoren, en bepaalde dat het bewind en mentorschap ingaan direct na verzending van de beschikking. Tevens werd de beschikking ingeschreven in het openbare Centraal Curatele- en bewindregister. Tegen deze beschikking staat hoger beroep open binnen drie maanden.

Uitkomst: Verzoek tot instelling meerderjarigenbewind en mentorschap over vader wegens dementie wordt toegewezen.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Cluster III Insolventie en kanton beheerszaken
Bergen op Zoom
zaak/rolnr.: 8185331 OV VERZ 19-7464 en 8185335 OV VERZ 19-7465
beschikking d.d. 14 januari 2020 op een verzoek tot instelling van een meerderjarigenbewind en een mentorschap
ingediend door
1. [verzoeker]wonende te [adres 1] en
2. [verzoeker 2]wonende te [adres 1]
hierna te noemen: verzoeksters.

1.Het procesverloop

1.1
De procesgang blijkt uit de volgende stukken:
a. het op 22 november 2019 door de griffie van de rechtbank ontvangen verzoekschrift (met bijlagen);
b. het proces-verbaal van de griffier met betrekking tot het verhandelde op de terechtzitting van dinsdag 17 december 2019.
1.2
De inhoud van deze stukken geldt hier als ingelast.

2.De beoordeling

2.1
Het verzoek strekt tot de instelling van een bewind over de goederen van en tot instelling van een mentorschap over
[rechthebbende], hierna te noemen rechthebbende, geboren te Bergen op Zoom op 1 augustus 1947, wonende te [adres 2] , onder gelijktijdige benoeming van
[verzoeker 3]en
[verzoeker 2]beiden voornoemd, tot bewindvoerders en tot mentoren. Verzoeksters zijn de dochters van rechthebbende.
2.2
Op verzoek heeft de terechtzitting/mondelinge behandeling d.d. 17 december 2019 plaatsgevonden op het woonadres van rechthebbende, hierbij zijn ten overstaan van kantonrechter mr. W.E.M. Verjans, bijgestaan door de heer [naam] als griffier, verschenen rechthebbende en verzoeksters. De levenspartner/echtgenote van rechthebbende bleek enkele dagen ervoor te zijn overleden.
2.3
Verzoeksters hebben bij verzoekschrift aangevoerd dat rechthebbende (hun vader) lijdt aan dementie. De diagnose is gesteld in 2016. Rechthebbende gaat volgens hen hard achteruit, waardoor rechthebbende met ingang van 17 september 2019 is toegelaten tot de Wet Langdurige Zorg (WLZ). Zij verwijzen in dat verband naar de overgelegde bijlagen.
De levenspartner/echtgenote van rechthebbende regelde de afgelopen jaren zijn zaken.
Verzoekster sub 1 heeft al geruime tijd een volmacht, die blijkt volgens hen in de praktijk niet voldoende te zijn voor algehele belangenbehartiging ten behoeve van rechthebbende. Tijdens de mondelinge behandeling volhardden verzoeksters bij hun verzoek.
2.4
Tijdens de mondelinge behandeling d.d. 17 december 2019 zegt rechthebbende zakelijk weergegeven, dat hij onaangenaam verrast is door het bezoek van de kantonrechter. Hij zegt ook -na een toelichting door de kantonrechter- tegen toewijzing van het verzoek van zijn dochters te zijn. Rechthebbende is van mening dat hij alles nog zelf kan regelen en als hij hulp nodig heeft kan hij daar altijd om vragen. Een toelichting van het verzoek door zijn dochters brengen hem niet op andere gedachten. Hij is en blijft tegen. Verzoeksters geven aan dat zij het verzoek en de komst van de kantonrechter wel degelijk met hun vader (rechthebbende) hebben besproken en wijzen erop dat hun vader veel vergeet wat nog recent met hem besproken is.
2.5
Uit de stukken en de behandeling ter terechtzitting is naar het oordeel van de kantonrechter voldoende aannemelijk geworden dat de rechthebbende als gevolg van zijn geestelijke toestand duurzaam niet in staat is zelf ten volle zijn belangen van vermogensrechtelijke en niet-vermogensrechtelijke aard behoorlijk waar te nemen, reden waarom de kantonrechter het verzoek tot onderbewindstelling en tot het instellen van een mentorschap hierna zal inwilligen.
Voormelde geestelijke toestand maakt volgens de kantonrechter dat rechthebbende zelf onvoldoende ziekte-inzicht heeft. Ook wat betreft de gevolgen van deze ziekte. Rechthebbende realiseert zich daardoor ook niet het belang van het onderhavige verzoek van zijn dochters.
2.6
Verzoeksters willen als dochters zelf de taak van bewindvoerder respectievelijk mentor ten behoeve van hun vader gaan invullen. Zij hebben zich hiertoe ook schriftelijk bereid verklaard.
De wens van verzoeksters tot benoeming sluit volledig aan bij de wettelijke voorkeuren (zie artikel 1:435, lid 4 BW en artikel 1:452, lid 4 BW). Verzoeksters blijken goed op de hoogte van de taken, rechten en verplichtingen van een bewindvoerder respectievelijk mentor. Voorts kennen zij de wensen en behoeften van hun vader. Zij weten dat zij hun vader -zoveel als mogelijk- bij de uitvoering van hun taken moeten blijven betrekken. Bovenstaande maakt dat verzoeksters bij uitstek geschikt zijn om te worden benoemd. De kantonrechters zal verzoeksters hierna dan ook benoemen tot bewindvoerder tevens mentor.
2.7
Ter zitting is de kantonrechter gebleken dat rechthebbende -gelet op zijn geestelijke toestand-
nietin staat is om zelf aan de bewindvoerders toestemming te geven voor het doen van beschikkingshandelingen. De rechthebbende wordt ook niet in staat geacht om de boedelbeschrijving de rekening en verantwoording ter goedkeuring te ondertekenen.
2.8
De -te benoemen- bewindvoerders zijn bekend met hun wettelijke taken en verplichtingen betreffende:
* het opmaken van een boedelbeschrijving (bij het begin van het bewind);
* de jaarlijkse rekening en verantwoording;
* de 5-jaarlijkse evaluatie; en
* de eindrekening en verantwoording (bij het einde van het bewind).
2.9
In overeenstemming met het landelijke beleid zal de kantonrechter aan de -te benoemen- (familie)mentoren geen verslagplicht opleggen. Zie Aanbevelingen Mentorschap, gepubliceerd op www.rechtspraak.nl.
2.1
Feiten en omstandigheden die voor het bewind en het mentorschap en het voortduren daarvan van betekenis zijn, dienen de -te benoemen- bewindvoerders tevens mentoren ter- stond mede te delen aan de kantonrechter.
2.11
Op grond van de bevoegdheid als omschreven in artikel 1:436 lid 3 BW Pro bepaalt de kantonrechter dat de onderhavige beschikking wordt ingeschreven in het openbare Centraal Curatele- en bewindregister.

3.De beslissing

De kantonrechter:
stelt een bewind in over alle goederen die toebehoren of zullen toebehoren aan:
[rechthebbende]voornoemd;
stelt een mentorschap in over:
[rechthebbende]voornoemd;
benoemt tot bewindvoerders en mentoren:
[verzoeker 3]en
[verzoeker 2]beiden voornoemd;
verstaat dat het bewind en het mentorschap is ingesteld op grond van zijn geestelijke toestand;
verstaat dat het bewind en mentorschap in werking treden daags na verzending van de beschikking;
draagt de griffier op deze uitspraak in te schrijven in het openbare Centraal Curatele- en bewindregister.
Deze beschikking is gegeven door mr. W.E.M. Verjans, kantonrechter, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 14 januari 2020.
Tegen deze beschikking kan hoger beroep worden ingesteld:
door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van deze beschikking is verstrekt of verzonden: binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
door andere belanghebbenden: binnen drie maanden na de betekening van de beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.
Het beroepschrift moet door tussenkomst van een advocaat worden ingediend bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch.