ECLI:NL:RBZWB:2020:4347

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
19 juni 2020
Publicatiedatum
14 september 2020
Zaaknummer
AWB - 19 _ 2248
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 27d AWRAfdeling 8.2.6 Awb
Verwijzingen
6 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep tegen naheffingsaanslag parkeerbelasting wegens overschrijding beroepstermijn

Belanghebbende maakte bezwaar tegen een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd door de heffingsambtenaar van de gemeente. De uitspraak op bezwaar dateert van 29 maart 2019, waarna een beroepstermijn van zes weken liep tot 10 mei 2019. Het beroepschrift werd echter pas op 14 mei 2019 door de rechtbank ontvangen.

Belanghebbende stelde dat het beroepschrift op 10 mei 2019 was gepost, binnen de termijn, maar kon dit niet aantonen. De rechtbank overwoog dat de poststempel van het beroepschrift 13 mei 2019 was, wat volgens vaste jurisprudentie de datum van terpostbezorging bepaalt. Zonder bewijs van tijdige verzending is het beroep niet-ontvankelijk.

De rechtbank wees het beroep af wegens niet-ontvankelijkheid en legde geen proceskostenveroordeling op. Partijen werd gewezen op de mogelijkheid tot hoger beroep binnen zes weken bij het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch.

Uitkomst: Het beroep tegen de naheffingsaanslag parkeerbelasting is niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de beroepstermijn.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, enkelvoudige kamer
Locatie: Breda
Zaaknummer BRE 19/2248
uitspraak van 19 juni 2020
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen
[belanghebbende], wonende te [plaats] ,
belanghebbende,
en
de heffingsambtenaar van de gemeente [plaats],
de heffingsambtenaar.
De bestreden uitspraak op bezwaar
De uitspraak van de heffingsambtenaar van 29 maart 2019 op het bezwaar van belanghebbende tegen de aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag parkeerbelasting (aanslagnummer [aanslagnummer] ).
Zitting
De telefonische hoorzitting heeft plaatsgevonden op 4 juni 2020.
Aldaar zijn gehoord, belanghebbende en namens de heffingsambtenaar [heffingsambtenaar] .

1.Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

2.Gronden

2.1.
Niet in geschil is dat de uitspraak op bezwaar is gedagtekend en verzonden op 29 maart 2019. De beroepstermijn is daarmee aangevangen op 30 maart 2019 en geëindigd op 10 mei 2019. Het beroepschrift is door de rechtbank ontvangen op 14 mei 2019, zodat het beroepschrift niet binnen de beroepstermijn is ontvangen.
2.2.
Belanghebbende stelt dat hij het beroepschrift op 10 mei 2019 heeft gepost en daarmee binnen zes weken in beroep is gegaan en de beroepstermijn niet heeft overschreden. De heffingsambtenaar stelt zich op het standpunt dat beroep niet ontvankelijk moet worden verklaard, omdat het beroep niet tijdig is ingesteld. Volgens de heffingsambtenaar ligt de bewijslast bij belanghebbende.
2.3.
De rechtbank overweegt de laatste dag om het beroepschrift ter post te bezorgen vrijdag 10 mei 2019 was. De poststempel op het beroepschrift is van 13 mei 2019 en het beroepschrift is op 14 mei 2019 bij de rechtbank bezorgd. Gelet op de stempel kan de ter post bezorging op vrijdag 10 mei 2019 ná de buslichting zijn geschied, maar het beroepschrift kan ook zaterdag, zondag of maandag ter post zijn bezorgd. Het uitgangspunt in de jurisprudentie van de hoogste bestuursrechters is dat de terpostbezorging heeft plaatsgevonden op de dag van de afstempeling (ECLI:NL:HR:2011:BP2138). In dit geval dus 13 mei 2019. Afwijken van dit uitgangspunt kan, maar de bewijslast hiervoor ligt bij belanghebbende. In het onderhavige geval heeft belanghebbende niet aangetoond dat hij daadwerkelijk het beroepschrift op 10 mei 2019 ter post heeft bezorgd. De enkele stelling dat hij dit heeft gedaan is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende.
2.4
Gelet op het vorenstaande is het beroep niet-ontvankelijk verklaard.
2.5
De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.E.M. Marsé, rechter, in aanwezigheid van mr. N.M. Zandbergen, griffier op 19 juni 2020 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl
griffier, rechter,
Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,
5201 CZ ’s-Hertogenbosch.
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. een dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de gronden van het hoger beroep.
Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.