ECLI:NL:RBZWB:2020:4162
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vernietiging terugvorderingsbesluit bovenwettelijke werkloosheidsuitkering wegens onvoldoende onderbouwing en dringende redenen
Eiseres werkte gemiddeld 41,23 uur per week voor de stichting en ontving meerdere WW- en bovenwettelijke werkloosheidsuitkeringen (BW-uitkeringen) vanwege gedeeltelijke werkloosheid. De stichting vorderde via een primair besluit een bedrag van €33.288,50 terug wegens vermeend teveel betaalde BW-uitkering, later bijgesteld tot €29.998,71 in het bestreden besluit.
Eiseres betwistte de hoogte van het terugvorderingsbedrag en gaf aan dat zij nooit zulke bedragen netto heeft ontvangen en dat de berekening onduidelijk is. De stichting kon onvoldoende uitleg geven over de systeemfout die tot de terugvordering leidde en gaf geen heldere onderbouwing van de berekening. De rechtbank oordeelde dat het bestuursorgaan onvoldoende duidelijkheid had verschaft over de wijze waarop het bedrag tot stand was gekomen.
Daarnaast stelde eiseres dat de terugvordering haar in ernstige financiële problemen had gebracht, wat door de rechtbank werd erkend als dringende reden in de zin van artikel 36, lid 6, WW. De rechtbank vond dat eiseres onnodig en onevenredig was benadeeld door de handelswijze van de stichting, die jarenlang herberekeningen en terugvorderingen toepaste zonder adequate uitleg.
De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, vernietigde het bestreden besluit en herroept het primaire besluit. Er wordt geen BW-uitkering teruggevorderd over de periode van 4 juni 2017 tot en met 28 februari 2019. Tevens wordt het betaalde griffierecht van €47,- aan eiseres vergoed.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het terugvorderingsbesluit wordt vernietigd, waardoor geen BW-uitkering wordt teruggevorderd.