Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Beslissing
2.Gronden
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende, een fiscale eenheid voor de omzetbelasting, maakte bezwaar tegen een verzuimboete opgelegd bij een naheffingsaanslag over het vierde kwartaal van 2018. De fiscale eenheid was per 1 maart 2018 uitgebreid met een dochteronderneming die zelfstandig aangifte bleef doen. Deze dochter diende een suppletieaangifte in met een te betalen bedrag van €210.000, wat leidde tot een naheffingsaanslag inclusief een boete van €5.278, later verminderd tot €2.639.
Belanghebbende stelde primair dat een fiscale eenheid geen boete kan krijgen omdat zij geen rechtspersoon is. De rechtbank verwierp dit standpunt, verwijzend naar eerdere jurisprudentie en de combinatie van artikel 5:1 Awb Pro en artikel 67c AWR. Subsidiair betoogde belanghebbende dat de boete onterecht werd opgelegd omdat het suppletiebedrag minder dan 10% van de totale belasting van de fiscale eenheid bedroeg. De rechtbank oordeelde dat de beoordeling op het niveau van het bedrijfsonderdeel moest plaatsvinden dat de suppletie indiende, niet op concernniveau.
De rechtbank stelde vast dat de inspecteur de beleidsregels uit het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst juist had toegepast en dat de boete passend en geboden was. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De rechtbank bevestigt de verzuimboete van €2.639 opgelegd aan de fiscale eenheid.