Eiseres, werkzaam als thuiszorghelpende, viel op 7 februari 2018 uit wegens gezondheidsklachten en ontving een Ziektewet-uitkering. Het UWV beëindigde deze uitkering per 12 april 2019 na een eerstejaarsbeoordeling en verklaarde het bezwaar van eiseres ongegrond. Eiseres stelde dat haar gezondheidstoestand was verslechterd en dat het UWV onvoldoende rekening had gehouden met haar klachten en medische gegevens.
De rechtbank stelde vast dat de datum in geschil 12 april 2019 was en dat latere medische ontwikkelingen niet relevant zijn voor deze procedure. De medische beoordeling door verzekeringsarts en arts bezwaar en beroep werd als zorgvuldig en adequaat beoordeeld, inclusief de functionele beperkingen vastgelegd in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) met een beperking voor stof.
De arbeidsdeskundige van het UWV stelde dat eiseres met de vastgestelde beperkingen geschikt was voor enkele functies en dat haar verdienvermogen meer dan 65% van het maatmaninkomen bedroeg, wat betekent dat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. De rechtbank oordeelde dat het UWV de Ziektewet-uitkering terecht had beëindigd, maar vernietigde het bestreden besluit vanwege onvoldoende motivering en voorbereiding. De rechtsgevolgen van het besluit blijven echter in stand.
De rechtbank veroordeelde het UWV tot vergoeding van het griffierecht en proceskosten van eiseres. Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.