Eiser, een asielzoeker die sinds 2014 in Nederland verblijft, moest uiterlijk 25 februari 2019 voldoen aan de inburgeringsplicht, waaronder het behalen van het examenonderdeel Oriëntatie Nederlandse Arbeidsmarkt (ONA). Eiser meende dat hij dit onderdeel niet hoefde af te leggen vanwege tegenstrijdige informatie van zijn opleider. Hij leverde zijn portfolio op 21 januari 2019 in en slaagde na een eindgesprek op 22 maart 2019, na afloop van de wettelijke termijn.
De minister legde een boete op en vorderde terugbetaling van een lening voor de inburgeringscursus. De rechtbank oordeelde dat de minister geen wettelijke of beleidsmatige termijn had gesteld voor het indienen van het portfolio en dat eiser erop mocht vertrouwen dat tijdige indiening op 21 januari voldoende was. Hierdoor is het besluit in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel.
De rechtbank vernietigde het bestreden besluit en herroept het primaire besluit, waarbij eiser wordt gelijkgesteld met een inburgeringsplichtige die tijdig aan alle verplichtingen heeft voldaan. De minister moet de lening volledig kwijtschelden en de boete niet opleggen. Tevens wordt de minister veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.