AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Onbevoegdheid rechtbank inzake beroep tegen niet-tijdig besluit OvJ handhavingsverzoek parkeren
Eiser verzocht het college van burgemeester en wethouders van Breda om handhavend op te treden tegen illegaal parkeren op het trottoir voor zijn woning. Het college stuurde dit verzoek door aan de Officier van Justitie (OvJ) Zeeland-West-Brabant, die formeel bevoegd is. Eiser stelde de OvJ in gebreke vanwege het uitblijven van een besluit en stelde vervolgens beroep in bij de rechtbank tegen deze passiviteit.
De OvJ stelde dat de gemeente Breda het parkeren gedoogt vanwege een burenconflict en dat hij niet bevoegd is om over dat gedoogbeleid te oordelen. De OvJ heeft slechts een toezichthoudende rol op de BOA’s, gericht op algemene aanwijzingen, niet op concrete gevallen. Ondanks formele onbevoegdheid heeft de OvJ wel pogingen gedaan om de situatie te verbeteren.
De rechtbank oordeelt dat het verzoek van eiser neerkomt op handhaving van strafrechtelijke regels, waarop de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geen toepassing vindt volgens artikel 1:6 AwbPro. Hierdoor is de rechtbank niet bevoegd om kennis te nemen van het beroep tegen het uitblijven van een besluit door de OvJ. Ook het verzoek om dwangsommen wordt niet toegewezen. De rechtbank verklaart zich daarom onbevoegd en wijst het beroep af.
Uitkomst: De rechtbank verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het beroep tegen het uitblijven van een besluit door de OvJ op het handhavingsverzoek.
Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 20/6145 WET
uitspraak van 11 augustus 2020 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], te [plaatsnaam], eiser,
gemachtigde: mr. E.I.A. de Cock,
en
de Officier van Justitie van het Arrondissementsparket Zeeland-West-Brabant
(de OvJ), verweerder.
Procesverloop
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit door de OvJ op zijn verzoek om handhaving.
De rechtbank heeft besloten het beroep versneld te behandelen onder toepassing van afdeling 8.2.3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
De rechtbank heeft vervolgens toepassing gegeven aan artikel 8:54, eerste lid, van de Awb, zodat een behandeling ter zitting achterwege is gebleven.
Overwegingen
1. Feiten en omstandigheden
Eiser heeft bij brief van 6 november 2019 aan het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Breda (het college) verzocht om handhavend op te treden tegen het illegaal parkeren van auto’s op het trottoir voor zijn woning.
Op 3 februari 2020 heeft het college dit handhavingsverzoek doorgestuurd aan het Openbaar Ministerie Zeeland-West-Brabant, omdat niet hij het bevoegde gezag is maar de OvJ.
Met de brief van 18 maart 2020 heeft eiser de OvJ in gebreke gesteld.
Op 21 april 2020 heeft eiser bij de rechtbank beroep ingesteld tegen het uitblijven van een besluit door de OvJ op zijn handhavingsverzoek.
2. Verweer
De OvJ stelt dat de gemeente Breda - kennelijk vanwege een slepend conflict tussen buren - heeft besloten de in geding zijnde parkeersituatie te gedogen om te voorkomen dat hij instrument en wapen wordt in dat conflict. De OvJ is echter niet bevoegd om zich uit te laten over dat (gedoog)beleid en de wijze waarop de bijzonder opsporingsambtenaren (BOA) van de gemeente Breda gebruik maken van hun discretionaire bevoegdheid. De OvJ heeft wel een toezichthoudende rol ten aanzien van de BOA, maar deze ziet alleen op het geven van algemene aanwijzingen over de wijze van optreden en niet op het sturen in concrete gevallen. Ondanks dat de OvJ formeel niet bevoegd/verantwoordelijk is, heeft hij in het belang van eiser meerdere malen actie ondernomen om de zaak in goede banen te leiden en de gemeente Breda te overtuigen openheid van zaken te geven waarom niet handhavend wordt opgetreden.
3. Oordeel van de rechtbank
Eiser heeft verzocht om handhavend op te treden tegen het illegaal parkeren op het trottoir voor zijn woning.
De rechtbank leest dit verzoek aldus dat eiser wenst dat de OvJ overgaat tot opsporing en vervolging van strafbare feiten/illegale parkeeractiviteiten.
Artikel 1:6 vanPro de Awb bepaalt, voor zover hier van belang, dat de hoofdstukken 2 tot en met 8 en 10 van deze wet niet van toepassing zijn op de opsporing en vervolging van strafbare feiten, alsmede de tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissingen.
In de geschiedenis van de totstandkoming van deze bepaling wordt het volgende opgemerkt:
"De Awb zal niet van toepassing zijn op de opsporing en de vervolging van strafbare feiten, alsmede de tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissingen. Zou deze uitzondering niet in de wet worden opgenomen, dan zouden ook de typisch in de sfeer van de strafvordering en de executie gelegen besluiten en handelingen van de betrokken bestuursorganen (de algemene en bijzondere opsporingsambtenaren, het openbaar ministerie en de Minister van Justitie) onder het bereik van de wet vallen. Gelet op de eigenstandige positie van het (materiële en formele) strafrecht en op het feit dat de strafrechtelijke regelgeving uitputtend is bedoeld, zou dat tot een ongewenste vermenging van rechtssferen leiden."(TK 1988-1989, 21 221, nr. 3, blz. 43).
Gelet hierop acht de rechtbank zich onbevoegd kennis te nemen van eisers beroep tegen het uitblijven van een besluit door de OvJ op zijn handhavingsverzoek en van zijn verzoek om dwangsommen vast te stellen.
4. Proceskosten
Voor een veroordeling van de OvJ in de proceskosten van eiser bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart zich onbevoegd om kennis te nemen van eisers beroep tegen het uitblijven van een besluit door de OvJ op zijn handhavingsverzoek.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.H.J.G. Römers, rechter, in aanwezigheid van
mr. H.D. Sebel, griffier, op 11 augustus 2020 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de datum van verzending verzet worden gedaan bij de rechtbank.