Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Beslissing
2.Gronden
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende was tot 1 april 2015 werkzaam bij een stichting en had daar een levensloopregeling lopen. Vanaf 1 april 2015 werkte hij bij een universiteit waar hij eveneens een levensloopregeling voortzette. In 2015 vroeg hij de polis bij de stichting te beëindigen en het tegoed uit te keren, wat gebeurde onder inhouding van loonheffingen.
De inspecteur legde een aanslag op waarbij de uitkering uit de levensloopregeling volledig als inkomen werd meegenomen, zonder toepassing van de 80 percent-regeling. Belanghebbende betwistte dit en stelde dat de regeling van toepassing moest zijn en dat de uitkering moest worden aangemerkt als inkomen uit vroegere arbeid.
De rechtbank oordeelde dat de levensloopregeling niet volledig was beëindigd omdat belanghebbende bij zijn nieuwe werkgever de regeling voortzette. Daarom was de 80 percent-regeling niet van toepassing. Daarnaast werd de uitkering aangemerkt als inkomen uit tegenwoordige arbeid, omdat belanghebbende nog niet de leeftijd van 61 jaar had bereikt en de uitzonderingen niet van toepassing waren.
De belastingrente werd terecht in rekening gebracht, aangezien de inspecteur binnen de wettelijke termijn de definitieve aanslag had opgelegd. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende wordt ongegrond verklaard en de aanslag inkomstenbelasting 2015 wordt bevestigd zonder toepassing van de 80 percent-regeling.