Verzoeker, eigenaar van een recreatieverblijf, werd door het college van burgemeester en wethouders van Tilburg een last onder dwangsom opgelegd wegens het gebruik van het recreatieverblijf voor nachtverblijf en/of bewoning, wat volgens het bestemmingsplan niet is toegestaan. Na controles door toezichthouders en politie stelde het college dat sprake was van overtreding en legde een dwangsom op.
Verzoeker maakte bezwaar en vroeg om een voorlopige voorziening. Hij stelde dat uit de controles niet blijkt dat het recreatieverblijf voor nachtverblijf wordt gebruikt, dat het gebruik onder het overgangsrecht valt en dat de dwangsom disproportioneel is, mede vanwege de coronapandemie en zijn medische situatie.
De voorzieningenrechter oordeelde dat het college onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van overtreding. Het feit dat persoonlijke spullen aanwezig waren, licht brandde en een auto op het terrein stond, is onvoldoende bewijs voor nachtverblijf. Daarnaast is het niet onaannemelijk dat het gebruik onder het overgangsrecht valt, aangezien verzoeker het perceel sinds 1991 bezit en gebruik sinds 1992 onafgebroken heeft plaatsgevonden.
De voorzieningenrechter schorst het bestreden besluit tot zes weken na de beslissing op bezwaar, veroordeelt het college tot vergoeding van griffierecht en proceskosten. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.