ECLI:NL:RBZWB:2020:3551
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen invordering verbeurde dwangsom
Verzoeker maakte bezwaar tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Waalwijk tot invordering van een verbeurde dwangsom van €20.000 wegens het zonder vergunning uitvoeren van bouwactiviteiten. Hij verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening met schorsende werking, omdat het college doorging met de inning en een dwanginvordering dreigde.
De voorzieningenrechter overwoog dat een financieel belang op zich geen onverwijlde spoed oplevert, tenzij sprake is van betalingsonmacht en het ontbreken van een mogelijkheid tot betalingsregeling. Verzoeker stelde dat een betalingsregeling geen optie was, omdat hij meende geen dwangsom te hebben verbeurd, maar hij toonde geen betalingsonmacht aan.
De voorzieningenrechter gaf verzoeker twee weken de gelegenheid om zijn spoedeisend belang te onderbouwen, maar ontving geen onderbouwing. Verzoek om verlenging werd afgewezen vanwege het spoedeisende karakter. De rechter concludeerde dat het ontbreken van een spoedeisend belang tot afwijzing van het verzoek leidt.
De uitspraak bevestigt dat voorlopige voorzieningen slechts worden toegekend bij onomkeerbare gevolgen en spoedeisend belang, en benadrukt dat betaling van een dwangsom onrechtmatigheid kan worden teruggedraaid na bezwaar. Er is geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de invordering van de verbeurde dwangsom is afgewezen wegens het ontbreken van een spoedeisend belang.