ECLI:NL:RBZWB:2020:3535

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
17 juli 2020
Publicatiedatum
30 juli 2020
Zaaknummer
20/6549
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75a AwbArt. 8:83 AwbArt. 8:84 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling gemeente Oosterhout in proceskosten wegens onnodige voorlopige voorziening

Verzoekster maakte bezwaar tegen een besluit van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Oosterhout waarin een korting op haar bijstandsuitkering werd toegepast vanwege alimentatie-inkomsten. Zij stelde dat haar ex-partner geen alimentatie betaalde, waarop het college de korting ongedaan maakte. Verzoekster trok daarop haar verzoek om een voorlopige voorziening in en verzocht het college te veroordelen in de proceskosten.

Het college betoogde dat verzoekster niet de weg van bezwaar en voorlopige voorziening had hoeven te bewandelen, omdat haar bewindvoerder contact had kunnen opnemen om de kwestie eenvoudig op te lossen. De voorzieningenrechter oordeelde dat het college inderdaad aan verzoekster was tegemoetgekomen, maar dat verzoekster niet eerst had geprobeerd het college te bewegen de korting ongedaan te maken voordat zij de voorlopige voorziening aanvroeg.

De rechter achtte het aannemelijk dat het college zonder de voorlopige voorziening direct het besluit had herroepen als verzoekster of haar bewindvoerder het college had geïnformeerd over het niet betalen van alimentatie. Daarom werd de proceskostenvergoeding vastgesteld op de helft van het forfaitaire bedrag van €525, namelijk €262,50, plus vergoeding van het griffierecht van €48.

Uitkomst: Het college wordt veroordeeld tot vergoeding van de helft van de proceskosten en het griffierecht aan verzoekster.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 20/6549 VV
uitspraak van 17 juli 2020 van de voorzieningenrechter op het verzoek om veroordeling in de proceskosten in de zaak tussen

[naam verzoekster], wonende te [woonplaats verzoeker], verzoekster,

gemachtigde: mr. C. van der Ent, advocaat te Breda
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Oosterhout, verweerder.

Procesverloop

Verzoekster heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 6 mei 2020 (bestreden besluit) van het college inzake de korting (vanwege alimentatie-inkomsten) van haar bijstandsuitkering. Zij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
In haar bezwaarschrift heeft verzoekster gesteld dat zij weliswaar recht heeft op alimentatie, maar dat haar ex-partner tot op heden nog geen alimentatie heeft betaald. Deze stelling is voor het college aanleiding geweest om de korting op de uitkering ongedaan te maken.
Vervolgens heeft verzoekster het verzoek om voorlopige voorziening ingetrokken, met het verzoek het college te veroordelen in de proceskosten. Het college heeft op dit verzoek gereageerd. Het college stelt zich op het standpunt dat verzoekster niet voor de weg van bezwaar en voorlopige voorziening had hoeven te kiezen. Volgens het college had de bewindvoerder van verzoekster zelf contact had kunnen opnemen met het college. Deze zaak zou na een enkel telefoontje op een simpele manier opgelost zijn. Het college verzoekt de voorzieningenrechter om hiermee rekening te houden bij de proceskostenveroordeling door uit te gaan van wegingsfactor 0,5.
De reactie van het college is bij brief van 25 juni 2020 aan verzoekster toegestuurd. Zij heeft op het standpunt van het college niet meer gereageerd.
De voorzieningenrechter heeft, met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), een behandeling van het verzoek ter zitting achterwege gelaten.

Overwegingen

1. Op grond van artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb in samenhang bezien met artikel 8:84, vijfde lid, van de Awb, kan de voorzieningenrechter het bestuursorgaan veroordelen in de proceskosten, indien het verzoek om voorlopige voorziening wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het verzoekschrift is tegemoetgekomen.
2. Niet in geschil is dat het college aan verzoekster is tegemoetgekomen. Vast staat echter ook dat verzoekster niet heeft geprobeerd om het college ertoe te bewegen de korting ongedaan te maken voordat het verzoek om voorlopige voorziening werd ingediend.
De voorzieningenrechter acht het aannemelijk dat het college in dat geval meteen al was teruggekomen op het bestreden besluit als verzoekster dan wel haar bewindvoerster aan het college meegedeeld zou hebben dat de alimentatie niet betaald werd. Een voorlopige voorziening was dan niet nodig geweest. Het college heeft voorgesteld om de helft van de proceskosten te vergoeden. Gelet op wat hiervoor is overwogen vindt de voorzieningenrechter dit redelijk. De voorzieningenrechter zal de proceskosten daarom vaststellen op de helft van het forfaitaire bedrag dat staat voor het indienen van een verzoekschrift. Het forfaitaire bedrag is € 525,-- zodat de proceskosten op € 262,50 worden vastgesteld. Tevens ziet de voorzieningenrechter aanleiding om het college te veroordelen tot vergoeding van het door verzoekster betaalde griffierecht.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
  • veroordeelt het college in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van € 262,50;
  • draagt het college op het betaalde griffierecht van € 48,-- aan verzoekster te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L. Sierkstra, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A.J.M. van Hees, griffier, op 17 juli 2020 en is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier* voorzieningenrechter
* De griffier is niet in de gelegenheid de uitspraak mede te ondertekenen.
Afschrift verzonden aan partijen op:

Als u het niet eens bent met deze uitspraak

Tegen deze uitspraak is geen (hoger) beroep mogelijk.