ECLI:NL:RBZWB:2020:3396
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beroep tegen watervergunning voor dempen en rechttrekken sloot
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van het dagelijks bestuur van waterschap Scheldestromen dat een watervergunning verleende voor het dempen van een bestaande sloot en het graven van een nieuwe sloot langs zijn perceel. De sloot werd rechtgetrokken om de afwatering te verbeteren, waarbij de nieuwe sloot een grotere afmeting kan krijgen dan de oorspronkelijke.
Eiser betoogde onder meer dat hij geen aanvraag had gedaan en dat de vergunningverlening onevenredige gevolgen had, omdat zijn perceel door de bredere sloot zou verkleinen. De rechtbank oordeelde dat eiser wel procesbelang heeft omdat hij via een gemachtigde de aanvraag heeft laten doen en dat de vergunningverlening conform het geldende vergunningenbeleid van het waterschap is.
De rechtbank stelde vast dat het dagelijks bestuur niet gebonden is aan particuliere afspraken tussen eiser en de derde partij en dat voor het rechttrekken van de sloot een vergunning vereist is. De vermeende onevenredige gevolgen zijn onvoldoende onderbouwd gelet op de totale oppervlakte van het perceel en het feit dat het eigendom niet wijzigt.
Daarom verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond en handhaafde het bestreden besluit. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van eiser tegen het watervergunningbesluit wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit blijft van kracht.