Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 juli 2020 in de zaak tussen
[eiseres], te [plaatsnaam], eiseres,
Procesverloop
Overwegingen
Feiten
Wettelijk kader
Beroepsgrond eiseres
Beoordeling
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Eiseres ontving vanaf 1 juni 2013 een bijstandsuitkering nadat haar loon door een arbeidsconflict was bevroren. Hoewel haar ontslag in 2013 werd herroepen door de Centrale Raad van Beroep, waardoor haar werkgever verplicht was het loon met terugwerkende kracht te betalen, meldde eiseres dit niet aan het college. Het college herzag daarop het recht op bijstand over de periode juni 2013 tot april 2017 en trok de uitkering in.
Eiseres voerde aan dat zij geen volledige nabetaling van loon had ontvangen, slechts een voorschot, en betwistte de intrekking van de bijstand. Het college overlegde loonbetalingsspecificaties waaruit bleek dat een nabetaling van ruim 51.000 euro was gedaan, waarvan een voorschot van 10.000 euro was betaald in februari 2017 en de rest eind maart 2017. Eiseres weigerde echter bankafschriften over te leggen die haar stelling konden onderbouwen.
De rechtbank oordeelde dat het college aannemelijk had gemaakt dat het volledige achterstallige loon was betaald en dat eiseres de inlichtingenplicht had geschonden door haar wederindiensttreding en loonbetaling niet te melden. Hierdoor was de intrekking van de bijstand terecht. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de intrekking van de bijstandsuitkering wordt ongegrond verklaard.