Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.De procedure
- de reactie van mr. M.K. Groothoff-de Bruin namens wederpartij [naam 1] d.d. 10 januari 2020, en
- de mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek door de wrakingskamer op
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
In deze civiele zaak diende verzoeker een wrakingsverzoek in tegen de rechter die belast was met de behandeling van een erfrechtelijk geschil tussen drie broers. Het wrakingsverzoek betrof de beslissing van de rechter om na een eerdere afwijzing alsnog uitstel van een comparitie toe te staan, zonder verzoeker opnieuw te horen.
De rechter had eerst het verzoek om uitstel afgewezen, maar na een nader gemotiveerd verzoek van een van de broers werd het uitstel alsnog verleend. Verzoeker stelde dat deze wisseling van standpunt zonder zijn wederhoor de onpartijdigheid van de rechter in twijfel trok en dat de procedures bij de rechtbank en de tuchtrechter niet vermengd mochten worden.
De wrakingskamer oordeelde dat de rechter een processuele beslissing had genomen waartegen geen inhoudelijke toetsing plaatsvindt, tenzij sprake is van een onbegrijpelijke beslissing die alleen door vooringenomenheid verklaard kan worden. Dit was niet het geval. Ook was er geen sprake van vermenging van procedures of een oordeel over de advocaatkeuze van verzoeker.
Daarom werd het wrakingsverzoek afgewezen en werd de procedure voortgezet zoals die was ten tijde van het verzoek. De beslissing werd genomen door drie rechters en in het openbaar uitgesproken op 17 januari 2020.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de rechter wordt afgewezen en de procedure wordt voortgezet.