ECLI:NL:RBZWB:2020:2365

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
2 juni 2020
Publicatiedatum
2 juni 2020
Zaaknummer
AWB- 20_6298 VV
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.21 Wet basisregistratie personenArt. 2.22 Wet basisregistratie personenArt. 8:83 Awb
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid verzoek voorlopige voorziening wegens ontbreken besluit

Verzoeker heeft een voorlopige voorziening gevraagd tegen een boete van €200 op grond van artikel 2.21 of 2.22 van de Wet basisregistratie personen. De rechtbank heeft de behandeling ter zitting achterwege gelaten conform artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

De voorzieningenrechter constateerde dat verzoeker niet heeft aangegeven door welk bestuursorgaan de boete is opgelegd en geen kopie van het bestreden besluit heeft overgelegd, terwijl dit verplicht is bij een verzoek om voorlopige voorziening. De griffier heeft verzoeker hierop gewezen en een termijn van één week gegund om dit te herstellen.

Verzoeker heeft niet aan deze verplichting voldaan, waardoor het verzoek niet-ontvankelijk is verklaard. De zaak is zonder behandeling ter zitting afgedaan. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening is niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van het bestreden besluit.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht
zaaknummer: 20/6298 BRP VV
uitspraak van 2 juni 2020 van de voorzieningenrechter in de zaak van
[naam verzoeker] ,te [woonplaats verzoeker] , verzoeker.

1.Procesverloop

Verzoeker heeft bij brief van 30 april 2020, door de rechtbank ontvangen op 6 mei 2020, verzocht om een voorlopige voorziening met betrekking tot een boete van € 200,-- op grond van artikel 2.21 of 2.22 van de Wet basisregistratie personen.
De voorzieningenrechter heeft met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) behandeling ter zitting achterwege gelaten.

2.Beoordeling

Uit het verzoek van verzoeker blijkt niet door welk bestuursorgaan de boete is opgelegd. Daarom is in de Awb de verplichting opgenomen dat de verzoeker tezamen met het verzoek om voorlopige voorziening ook een kopie moet meesturen van het besluit waar hij het niet mee eens is.
Bij brief van 6 mei 2020 heeft de griffier van de rechtbank verzoeker gewezen op (onder meer) deze verplichting en hem een termijn van één week gegund om dit verzuim te herstellen. Daarbij is aangegeven dat het verzoekschrift niet-ontvankelijk verklaard kan worden als het verzuim niet hersteld wordt.
Omdat verzoeker tot op heden niet heeft voldaan aan de verplichting om een kopie van het besluit toe te sturen, is het verzoek niet-ontvankelijk. Daarom zal de voorzieningenrechter de zaak zonder behandeling ter zitting afdoen als hierna vermeld.

3.Beslissing

De voorzieningenrechter:
verklaart het verzoek niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.M.J. Kok, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. P.H.M. Verdonschot, griffier op 2 juni 2020 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier is niet in de gelegenheid deze uitspraak mede te ondertekenen.
P.H.M. Verdonschot, griffier G.M.J. Kok, voorzieningenrechter
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Afschrift verzonden op: