ECLI:NL:RBZWB:2020:2252
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep wegens niet tijdig beslissen op WMO-aanvraag en geen dwangsom verschuldigd
Eiser diende op 19 augustus 2019 een melding in bij het college voor een voorziening op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (WMO). Na meerdere verzoeken om een beslissing bleef het college uit, waarna eiser op 27 januari 2020 beroep instelde tegen het niet tijdig beslissen. De voorzieningenrechter wees een verzoek om voorlopige voorziening af.
Het college had eerder een maatwerkvoorziening individuele begeleiding toegekend die op 1 juli 2019 eindigde. Eiser vroeg op 24 mei 2019 verlenging aan, maar het college stelde dat hij een Wlz-indicatie moest aanvragen. Na afwijzing van die aanvraag en een keukentafelgesprek werd een externe organisatie ingeschakeld om de hulpvraag te onderzoeken.
Eiser stelde dat hij het college op 21 november 2019 in gebreke had gesteld en dat het college een dwangsom verschuldigd was vanwege het overschrijden van de beslistermijn. De rechtbank oordeelde dat de ingebrekestelling prematuur was omdat de beslistermijn van twee weken op 5 december 2019 nog niet was verstreken op het moment van ingebrekestelling. Hierdoor was het college geen dwangsom verschuldigd.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees een proceskostenveroordeling af. De uitspraak werd gedaan door rechter P.H.J.G. Römers op 20 mei 2020 en openbaar gemaakt via rechtspraak.nl.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en het college is geen dwangsom verschuldigd wegens prematuur ingediende ingebrekestelling.