ECLI:NL:RBZWB:2020:1939
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen intrekking bijstand op grond van de Participatiewet
Verzoeker maakte bezwaar tegen het besluit van 11 maart 2020 van het dagelijks bestuur van Baanbrekers tot intrekking van zijn bijstand op grond van de Participatiewet. Hij verzocht tevens om een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter stelde vast dat verzoeker ook buiten de opgegeven werktijden aanwezig was bij zijn werkgever en daar werkzaamheden verrichtte die als op geld waardeerbare arbeid worden aangemerkt.
Hoewel verzoeker en zijn echtgenote stelden dat zij geen gegevens hebben achtergehouden en dat verzoeker zonder inkomen op de werkplek aanwezig was om zich beter te voelen, bleek uit het onderzoek dat de opgegeven werktijden niet juist waren. De vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep bepaalt dat aanwezigheid op de werkplek tijdens reguliere uren impliceert dat er arbeid is verricht, tenzij het tegendeel aannemelijk wordt gemaakt.
De voorzieningenrechter oordeelde dat intrekking van de bijstand dwingend is voorgeschreven bij niet-nakoming van de inlichtingenplicht en dat een waarschuwing niet volstaat. Het verzoek om voorlopige voorziening werd daarom afgewezen. De uitspraak bindt niet in een eventuele bodemprocedure en tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de intrekking van de bijstand wordt afgewezen.