ECLI:NL:RBZWB:2020:1927
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Bestuursrechtelijke beoordeling last onder dwangsom voor gebruik gebouw als woonruimte
Eiser maakte bezwaar tegen een last onder dwangsom opgelegd door de gemeente Breda wegens het gebruik van gebouw B als woonruimte, in strijd met het bestemmingsplan. De rechtbank onderzocht of het perceel als één bouwperceel moet worden aangemerkt en of gebouw B een hoofdgebouw is. De rechtbank concludeerde dat het perceel niet kadastraal is gesplitst en als één bouwperceel geldt, waarbij gebouw B een bijgebouw is.
De rechtbank oordeelde dat het gebruik van gebouw B als zelfstandige woning in strijd is met het bestemmingsplan en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). De last onder dwangsom is daarom gerechtvaardigd. Wel stelde de rechtbank vast dat eiser niet langer eigenaar is van het appartementsrecht dat gebouw B omvat, waardoor hij ten onrechte als overtreder is aangemerkt.
De rechtbank gaf de gemeente zes weken de tijd om het gebrek te herstellen door de last onder dwangsom aan de juiste rechtspersoon op te leggen. Tot die tijd worden verdere beslissingen aangehouden. De rechtbank verwierp de bezwaren van eiser tegen de inhoud van de last, zoals de eis tot verwijdering van sanitaire voorzieningen, omdat deze maatregel proportioneel is om hergebruik als woonruimte te voorkomen.
Uitkomst: Het beroep is gegrond verklaard omdat de last onder dwangsom onterecht aan eiser is opgelegd; de gemeente krijgt zes weken om het gebrek te herstellen.