ECLI:NL:RBZWB:2020:1632
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen weigering Verklaring Omtrent het Gedrag
Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van Rechtsbescherming om de aanvraag voor een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) af te wijzen. De voorzieningenrechter heeft op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht zonder zitting uitspraak gedaan vanwege het spoedeisend belang en de coronamaatregelen.
De minister ontving de aanvraag op 28 augustus 2019 voor een functie als integraal begeleider. Na een voorgenomen afwijzing en het horen van verzoeker werd het besluit tot afwijzing op 3 oktober 2019 definitief genomen. Verzoeker vordert nu tijdelijke toekenning van de VOG in afwachting van de beroepsprocedure.
De voorzieningenrechter oordeelt dat het niet aannemelijk is dat het bestreden besluit in beroep zal worden vernietigd. De minister heeft het beleid naar voorlopig oordeel correct toegepast en verzoeker heeft geen bijzondere omstandigheden aangevoerd die een afwijking rechtvaardigen. Het maatschappelijke belang bij bescherming van de VOG-regeling weegt zwaarder dan het belang van verzoeker bij onmiddellijke verstrekking. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de weigering van de VOG wordt afgewezen.