Belanghebbende heeft verzet aangetekend tegen een eerdere uitspraak van de rechtbank waarin deze zich onbevoegd verklaarde om te oordelen over het afwijzen van het verzoek tot opheffing van een paspoortsignalering. De paspoortsignalering was ingesteld door de ontvanger vanwege een belastingschuld en opgenomen in het Register paspoortsignaleringen op grond van de Paspoortwet.
De rechtbank oordeelde dat zij relatief bevoegd was gezien de woonplaats van belanghebbende en de zetel van het bestuursorgaan, maar absoluut onbevoegd omdat de ontvanger handelde in het kader van de Invorderingswet, waarover de fiscale bestuursrechter slechts beperkt bevoegd is. Het verzet richt zich op de vraag of de ontvanger op grond van de Invorderingswet of de Paspoortwet handelde.
De rechtbank bevestigt haar onbevoegdheid en verklaart het verzet ongegrond. Omdat belanghebbende een toetsing wenst op basis van de Paspoortwet, stuurt de rechtbank het beroepschrift door naar de rechtbank Den Haag, die daarvoor wel bevoegd is. Er is geen proceskostenveroordeling opgelegd.