Belanghebbende diende op 15 januari 2019 de aangifte omzetbelasting in over het vierde kwartaal van 2018 en betaalde de verschuldigde €22.146 op 11 februari 2019, te laat volgens de Belastingdienst. Op 28 februari 2019 legde de inspecteur een naheffingsaanslag en een verzuimboete van €664 op wegens het niet tijdig betalen van de omzetbelasting.
Belanghebbende maakte bezwaar tegen de boete en voerde persoonlijke omstandigheden en zijn goede betaalgedrag aan ter vermindering van de boete. De inspecteur wees het bezwaar af met een summiere motivering. De rechtbank oordeelt dat de uitspraak op bezwaar niet deugdelijk is gemotiveerd omdat niet is ingegaan op de aangevoerde persoonlijke omstandigheden.
De rechtbank vernietigt daarom de uitspraak op bezwaar, maar beoordeelt zelf de rechtmatigheid van de boete. Gezien het betalingsverzuim en het doel van de boete acht de rechtbank de boete van 3% passend en verklaart het bezwaar ongegrond.
De rechtbank veroordeelt de inspecteur tot vergoeding van de proceskosten van belanghebbende ad €1.050 en het betaalde griffierecht van €174. De uitspraak is gedaan door rechter C.A.F.M. Stassen op 20 maart 2020 en is niet openbaar uitgesproken vanwege corona.