ECLI:NL:RBZWB:2019:768
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot bekrachtiging schriftelijke aanwijzing omtrent afscheid minderjarigen van oma
De zaak betreft een verzoek van Stichting Intervence, de gecertificeerde instelling (GI), tot bekrachtiging van een schriftelijke aanwijzing aan de moeder van twee minderjarigen om medewerking te verlenen aan een afscheid van hun overleden oma. De kinderen wonen bij de moeder en hebben sinds december 2017 geen contact met hun vader, die via de GI een moment wilde organiseren voor de kinderen om afscheid te nemen van hun oma, die op 20 januari 2019 overleed.
De GI stelde een constructie voor waarbij de kinderen met de gezinsmanager en een bekende van de vader afscheid konden nemen zonder verdere familie van vaderszijde, en de moeder de kinderen naar het uitvaartcentrum zou brengen maar in de auto zou blijven. De moeder weigerde medewerking omdat de kinderen geen afscheid wilden nemen na het overlijden en vond het te belastend zonder haar aanwezigheid. De vader steunde het verzoek van de GI.
De kinderrechter oordeelt dat het verzoek tot bekrachtiging van de schriftelijke aanwijzing moet worden afgewezen omdat de datum van het afscheid reeds is verstreken en de GI geen belang meer heeft. Tevens is de schriftelijke aanwijzing niet zorgvuldig tot stand gekomen, onder meer doordat de GI de kinderen niet heeft gesproken en de nieuwe gezinsvoogd zich nog niet had ingelezen. De rechter benadrukt dat het de verantwoordelijkheid van de ouders blijft om gezamenlijk het belang van de kinderen voorop te stellen. De gevraagde dwangsom wordt eveneens afgewezen.
Uitkomst: Het verzoek tot bekrachtiging van de schriftelijke aanwijzing en de gevraagde dwangsom wordt afgewezen wegens het ontbreken van belang en onvoldoende zorgvuldigheid.