ECLI:NL:RBZWB:2019:6043

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
27 november 2019
Publicatiedatum
1 februari 2020
Zaaknummer
AWB- 18_2854
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.1 WaboArt. 2.7 Wet natuurbeschermingArt. 2.8 Wet natuurbeschermingArt. 6 HabitatrichtlijnArt. 8:54 Algemene wet bestuursrecht
Verwijzingen
10 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging omgevingsvergunning varkenshouderij wegens strijd met Habitatrichtlijn en PAS

De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 27 november 2019 uitspraak gedaan in een bestuursrechtelijke zaak waarin twee verenigingen beroep instelden tegen een omgevingsvergunning voor het veranderen en uitbreiden van een varkenshouderij. De vergunning was verleend door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Oisterwijk en maakte toepassing van het Programma Aanpak Stikstof (PAS).

Eisers stelden dat de vergunning niet terecht was verleend omdat de passende beoordeling die aan het PAS ten grondslag ligt niet voldoet aan de eisen van artikel 6 van Pro de Habitatrichtlijn. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State had in eerdere uitspraken geoordeeld dat het PAS niet voldeed aan deze eisen.

De rechtbank oordeelde dat het college de vergunning niet kon baseren op de passende beoordeling van het PAS en dat het bestreden besluit daarmee in strijd is met de Wet natuurbescherming en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Het beroep werd daarom kennelijk gegrond verklaard en het besluit vernietigd.

De gemeente moet een nieuw besluit nemen waarbij de gevolgen van de activiteit opnieuw worden beoordeeld en een passende beoordeling wordt gemaakt indien vereist. Tevens werd de gemeente veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eisers.

Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd omdat de vergunning niet kon worden verleend op basis van de passende beoordeling van het PAS.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 18/2854 WABOM

uitspraak van 27 november 2019 van de meervoudige kamer in de zaak tussen

1. [naam vereniging]te [plaatsnaam],
2. [naam vereniging2]te [plaatsnaam],
gemachtigde: mr. J.E. Dijk,
tezamen, eisers,
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Oisterwijk,verweerder.
Als derde partij heeft aan het geding deelgenomen:
[naam vergunninghouder],te [plaatsnaam2], vergunninghouder
gemachtigde: mr. J.J.J. de Rooij.

Procesverloop

Bij besluit van 15 maart 2018 heeft verweerder ingevolge de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) een omgevingsvergunning verleend voor het veranderen en uitbreiden van een bestaande varkenshouderij te [plaatsnaam2]. De omgevingsvergunning is verleend voor de activiteiten bestaande uit het bouwen van een bouwwerk (artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wabo), het oprichten en in werking hebben van een inrichting (artikel 2.1, eerste lid, onder e, van de Wabo) en het realiseren van een project of het verrichten van een andere handeling als bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, van de Wet natuurbescherming (artikel 2.1, eerste lid, onder i, van de Wabo jo. artikel 2.2aa, onder a, van het Besluit omgevingsrecht). Tegen dit besluit (verder: het bestreden besluit) hebben eisers beroep ingesteld.

Overwegingen

1. De rechtbank doet na vereenvoudigde behandeling op grond van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht uitspraak zonder zitting.
2. Verweerder heeft bij het bestreden besluit vergunning verleend voor een varkenshouderij die stikstofdepositie veroorzaakt op stikstofgevoelige natuurwaarden in Natura 2000-gebieden. Verweerder heeft daarbij toepassing gegeven aan het Programma Aanpak Stikstof 2015-2021 (hierna: het PAS) en de daarbij behorende regelgeving die vanaf 1 juli 2015 van kracht is. De vergunning kan volgens verweerder worden verleend onder verwijzing naar de passende beoordeling die voor het PAS is opgesteld. Met de toepassing en uitvoering van het PAS is volgens verweerder gewaarborgd dat de stikstofdepositie die de veehouderij zal veroorzaken niet zal leiden tot een aantasting van de natuurwaarden in Natura 2000-gebieden.
3. De strekking van het beroep is -kort gezegd- dat de vergunning niet kon worden verleend onder verwijzing naar de passende beoordeling die voor het PAS is gemaakt, omdat de passende beoordeling en het PAS niet voldoen aan artikel 6 van Pro de Habitatrichtlijn.
4. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft in de uitspraken van 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1603 en ECLI:NL:RVS:2019:1604, geoordeeld dat de passende beoordeling die aan het PAS ten grondslag ligt niet voldoet aan de eisen die uit artikel 6 van Pro de Habitatrichtlijn voortvloeien.
5. Dit betekent dat verweerder de vergunning voor de varkenshouderij niet kon verlenen onder verwijzing naar de passende beoordeling die voor het PAS is gemaakt. Het bestreden besluit is genomen in strijd met artikel 2.8 van de Wnb jo. artikel 2.1, eerste lid, onder i, van de Wabo. Omdat deze beroepsgrond slaagt, hoeven de overige beroepsgronden niet meer te worden besproken.
6.
Het beroep is kennelijk gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit.
7. Verweerder zal een nieuw besluit op de aanvraag van vergunninghouder moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. Uit de hiervoor genoemde uitspraken van de Afdeling van 29 mei 2019 volgt dat verweerder de gevolgen van de aangevraagde activiteit opnieuw in kaart moet brengen en alsnog moet beoordelen of een passende beoordeling is vereist. Verweerder kan voor het alsnog te nemen besluit op de aanvraag niet terugvallen op de eerder gevoerde procedure. Verweerder moet eerst een ontwerpbesluit opstellen en ter inzage leggen.
8.
Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eisers het door hen betaalde griffierecht vergoedt.
9.
De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eisers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 512,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 333 aan eisers te vergoeden;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 512.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Peters, voorzitter, mr. G.MJ. Kok en mr. R.A. Karsten-Badal, leden, in aanwezigheid van mr. N. van Asten, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 november 2019.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan verzet worden ingesteld bij deze rechtbank. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.