Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.De procedure
- de mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek door de wrakingskamer op 5
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Verzoekster heeft een wrakingsverzoek ingediend tegen de kinderrechter die belast is met de behandeling van het verlengingsverzoek van het Leger des Heils Jeugdbescherming en Reclassering (LDH) betreffende de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van twee minderjarigen.
Zij stelt dat de rechter vooringenomen is omdat het verzoek van het LDH niet aan wettelijke vereisten voldoet, het advies van de Raad voor de Kinderbescherming ondeugdelijk en partijdig is, en dat de rechter voornemens was te beslissen op basis van dit advies. De rechter betwist deze beschuldigingen en stelt dat zij onpartijdig is en dat het advies volgens de wettelijke procedure is ingewonnen.
De wrakingskamer overweegt dat er geen zwaarwegende aanwijzingen zijn voor vooringenomenheid en dat de vrees daarvoor niet objectief gerechtvaardigd is. De behandeling van het verzoek op zitting is wettelijk voorgeschreven en het proces-verbaal toont geen aanwijzingen voor een vooringenomen houding van de rechter.
Daarom wordt het wrakingsverzoek afgewezen en wordt de behandeling van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing voortgezet zoals deze was voor de schorsing door het wrakingsverzoek.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de kinderrechter wordt afgewezen en de zaak wordt voortgezet.