Uitspraak
1.Onderzoek van de zaak
2.De tenlastelegging
3.De voorvragen
4.De beslissing
de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vervolgingvan verdachte;
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde op 6 november 2019 de zaak tegen verdachte, die werd verdacht van meerdere geweldsdelicten gepleegd in 2013. Verdachte was niet verschenen, maar werd vertegenwoordigd door zijn raadsvrouw. De tenlastelegging betrof onder meer poging tot zwaar lichamelijk letsel en bedreiging met een mes jegens zijn echtgenote en een andere persoon.
De officier van justitie verzocht de rechtbank hem niet-ontvankelijk te verklaren in de vervolging, omdat verdachte reeds een langdurige gevangenisstraf in België ondergaat voor een soortgelijk delict, en het niet langer opportuun is om hem in Nederland te vervolgen. De verdediging sloot zich hierbij aan, stellende dat het belang van de verdediging door de lange duur en ouderdom van de zaak is geschaad.
De rechtbank stelde vast dat de feiten dateren uit 2013 en dat verdachte op 26 oktober 2018 door het Hof van beroep Gent onherroepelijk is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 30 jaar voor moord of opzettelijke doodslag op dezelfde persoon die ook onderwerp was van de Nederlandse tenlastelegging. Gezien deze omstandigheden en het tijdsverloop verklaarde de rechtbank de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vervolging en hief het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op.
Uitkomst: De officier van justitie wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens ouderdom van de feiten en de langdurige gevangenisstraf die verdachte in België ondergaat.