Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
beschikking geschillenregeling
[belanghebbende 1] , hierna te noemen de moeder,
advocaat: mr. A. van Vliet te Breda,
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
De moeder verzocht de rechtbank om een omgangsregeling vast te stellen waarbij zij en haar ondertoezichtgestelde minderjarige eens in de twee weken een weekend contact zouden hebben. De omgangsregeling was onderdeel van de uitvoering van de ondertoezichtstelling, waarbij de minderjarige uit huis was geplaatst vanwege zorgen over veiligheid en pedagogische vaardigheden van de moeder.
De gecertificeerde instelling (GI) voerde verweer en stelde dat de huidige omgangsregeling passend was en uitbreiding niet in het belang van de minderjarige was. De GI erkende dat zij nagelaten had een schriftelijke aanwijzing te geven over de omgangsregeling, terwijl de moeder ook nagelaten had hierom te verzoeken.
De rechtbank oordeelde dat het verzoek van de moeder niet onder de geschillenregeling ex artikel 1:262b BW valt, omdat de wetgever voor omgangsregelingen binnen een ondertoezichtstelling een andere procedure heeft voorzien, namelijk het verzoek om een schriftelijke aanwijzing ex artikel 1:265f BW. De moeder beschikte aldus over een andere rechtsgang en werd daarom niet-ontvankelijk verklaard.
De rechtbank benadrukte dat de GI op korte termijn een gemotiveerde beslissing moet nemen over de omgangsregeling. De moeder kan tegen een schriftelijke aanwijzing wel beroep instellen bij de kinderrechter, met rechtswaarborgen en de mogelijkheid tot hoger beroep.
Uitkomst: De moeder wordt niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek tot wijziging van de omgangsregeling omdat dit niet onder de geschillenregeling ex art. 1:262b BW valt.