Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Onderzoek van de zaak
2.De tenlastelegging
3.De voorvragen
4.De beoordeling van het bewijs
5.De beslissing
spreekt verdachte vrijvan het aan hem tenlastegelegde feit;
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Op 15 april 2019 werd een man bedreigd met een pistool en gedwongen zijn autosleutels af te geven waarna zijn auto werd gestolen. Verdachte werd ervan verdacht samen met anderen deze afpersing en diefstal te hebben gepleegd. Tijdens de zitting verklaarden medeverdachten dat verdachte zich had gedistantieerd van het plan en niet aanwezig was bij de daadwerkelijke afpersing en diefstal.
De rechtbank oordeelde dat voor medeplegen een nauwe en bewuste samenwerking vereist is waarbij verdachte zowel opzet op samenwerking als op de gepleegde gedraging moet hebben. Hoewel verdachte later handelingen verrichtte zoals het ophalen van medeverdachten en het meenemen van tassen, waren deze handelingen niet onderdeel van de tenlastelegging en vonden zij plaats nadat het misdrijf was voltooid.
De rechtbank concludeerde dat niet wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte medepleger was van de afpersing en diefstal. Daarom sprak de rechtbank verdachte vrij van alle tenlastegelegde feiten en hief het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs van medeplegen afpersing en diefstal.