ECLI:NL:RBZWB:2019:3101

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
9 juli 2019
Publicatiedatum
11 juli 2019
Zaaknummer
BRE - 18 _ 5520
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 34 Wet MRBArt. 67c AWRAfdeling 8.2.6 AwbArt. 27d AWRArt. 27h AWR
Verwijzingen
10 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting wegens gebruik buitenlandse auto vanaf 7 januari 2018

Belanghebbende kreeg een naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting opgelegd met een verzuimboete van 100% omdat hij met een auto met buitenlands kenteken in Nederland reed zonder daarvoor belasting te betalen. De kern van het geschil was of de auto al dan niet eerder dan 7 januari 2018 in Nederland ter beschikking stond.

Belanghebbende voerde aan dat de auto eigendom was van zijn in Polen woonachtige moeder en dat hij de auto na de kerstvakantie op 7 januari 2018 naar Nederland had gebracht. Ter onderbouwing overhandigde hij verklaringen van zijn moeder en haar buurvrouw. De rechtbank achtte deze verklaringen geloofwaardig en oordeelde dat belanghebbende in de bewijslast was geslaagd.

Partijen kwamen overeen dat als de rechtbank de berekeningsperiode zou inkorten tot 7 tot en met 29 januari 2018, de naheffingsaanslag verminderd moest worden tot €118. Omdat belanghebbende het gebruik van de auto in die periode erkende, stelde de rechtbank de boete op 100% van dit bedrag vast.

De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, vernietigde de uitspraken op bezwaar en veroordeelde de inspecteur tot vergoeding van proceskosten en griffierecht. De uitspraak werd op 9 juli 2019 in Breda gedaan.

Uitkomst: De naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting wordt verminderd tot €118 met een boete van 100%, omdat belanghebbende aannemelijk heeft gemaakt dat de auto pas vanaf 7 januari 2018 in Nederland ter beschikking stond.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, enkelvoudige kamer
Locatie: Breda
Zaaknummer BRE 18/5520
uitspraak van 9 juli 2019
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen
[belanghebbende], wonende te [woonplaats] ,
belanghebbende,
en
de inspecteur van de Belastingdienst,
de inspecteur.
De bestreden uitspraken op bezwaar
De uitspraken van de inspecteur van 20 juli 2018 op de bezwaren van belanghebbende tegen de aan hem opgelegde naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting (mrb) (aanslagnummer [aanslagnummer] ) en de daarbij gelijktijdig opgelegde boetebeschikking.
Zitting
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 juli 2019 te Breda.
Aldaar zijn verschenen en gehoord, belanghebbende, vergezeld van zijn gemachtigde mr. C.G.A. Mattheussens, verbonden aan Brekelmans Van der Ven Advocaten en Mediators te Roosendaal en zijn tolk [tolk] , en namens de inspecteur, [inspecteur 1] en [inspecteur 2] .
Na sluiting van het onderzoek ter zitting is direct een mondelinge uitspraak gedaan. Partijen is gewezen op de mogelijkheid om hoger beroep in te stellen.

1.Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt de uitspraken op bezwaar;
  • vermindert de naheffingsaanslag tot een bedrag van € 118;
- vermindert de boete tot een bedrag van € 118;
- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 1.088,12 en bepaalt dat dit bedrag wordt betaald aan de rechtsbijstandverlener van belanghebbende;
- bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 46 moet vergoeden aan belanghebbende.

2.Gronden

2.1.
Het gaat hier om een naheffingsaanslag die is opgelegd, met een beroep op artikel 34 van Pro de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 (hierna: de Wet), omdat op 30 januari 2018 is geconstateerd dat belanghebbende gebruik van de weg in Nederland heeft gemaakt met een auto met buitenlands kenteken. Belanghebbende bestrijdt niet dat het belastbaar feit zich heeft voorgedaan en dat als uitgangspunt de berekeningsperiode in overeenstemming is met de Wet. Het geschil spitst zich toe op de vraag of belanghebbende geslaagd is in de bewijslast dat de auto belanghebbende pas vanaf 7 januari 2018 in Nederland ter beschikking heeft gestaan.
2.2.
Belanghebbende heeft daartoe aangevoerd aan dat zijn in Polen woonachtige moeder de eigenaar van de auto is en dat hij na de kerstvakantie de auto op 7 januari 2018 naar Nederland heeft meegenomen. Ter onderbouwing heeft belanghebbende een verklaring van zijn moeder en een verklaring van de buurvrouw van de moeder overgelegd.
De rechtbank acht belanghebbende in de bewijslast geslaagd ten aanzien van de stelling dat de auto hem niet eerder dan 7 januari 2018 feitelijk en geheel ter beschikking stond in Nederland. De rechtbank acht de verklaringen van belanghebbende geloofwaardig, mede omdat hij direct heeft erkend de auto ter beschikking te hebben in Nederland en van meet af aan consequent gemotiveerd de datum 7 januari 2018 heeft genoemd. De stelling wordt bovendien ondersteund door de verklaring van zijn moeder. De omstandigheid dat in het beroepschrift stond vermeld dat de moeder de eigenaar was, terwijl in een document belanghebbende als mede-eigenaar is vermeld, geeft geen aanleiding voor een ander oordeel, omdat belanghebbende daarvoor ter zitting een afdoende verklaring heeft gegeven. Ook voor de wijze van vervoer vóór 7 januari 2018 heeft belanghebbende ter zitting een voldoende verklaring gegeven.
2.3.
Partijen hebben ter zitting overeenstemming bereikt dat ingeval de rechtbank zou beslissen dat de berekeningsperiode moet worden ingekort tot de periode 7 januari 2018 tot en met 29 januari 2018, de naheffingsaanslag moet worden verminderd tot € 118.
Boete
2.4.
Het beboetbaar feit is begaan. Nu belanghebbende heeft erkend dat hij vanaf 7 januari 2018 de auto ter beschikking heeft gehad, vindt de rechtbank een boete van 100% van € 118 passend en geboden.
2.5.
Het beroep is daarom gegrond verklaard.
2.6.
De rechtbank vindt aanleiding de inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 1.024 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 512 en een wegingsfactor 1). Voor de werkzaamheden van zijn tolk wordt de inspecteur veroordeeld tot vergoeding van een bedrag van € 64,12 op basis van één uur en het voorrijtarief.
Deze uitspraak is gedaan op 9 juli 2019 door mr. M.R.T. Pauwels, rechter, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. L. Mattijssen, griffier.
De griffier, De rechter,
Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:
Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist (artikel 27h, derde lid en artikel 28, zevende lid AWR).
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,
5201 CZ ’s-Hertogenbosch.
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. een dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de gronden van het hoger beroep.
Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.