Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Beslissing
2.Gronden
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende maakte bezwaar tegen de WOZ-waardering en aanslag onroerendezaakbelasting (ozb) over 2016 voor een onroerende zaak die later bleek te zijn onjuist afgebakend. De heffingsambtenaar corrigeerde deze fout door het oorspronkelijke object kleiner af te bakenen en de waarde te verlagen, terwijl voor het afgesplitste object een nieuwe WOZ-beschikking en aanslag werden opgelegd.
De rechtbank stelt vast dat de objecten terecht als afzonderlijke onroerende zaken zijn aangemerkt en dat op grond van de jurisprudentie van de Hoge Raad objectafbakening in bezwaar en beroep hersteld kan worden. De heffingsambtenaar mag dus een nieuwe beschikking en aanslag opleggen voor het afgesplitste object, ook al leidt dit tot een hogere gezamenlijke WOZ-waarde.
Belanghebbende voerde aan dat hij slechter af is door het bezwaar en dat het vertrouwensbeginsel, het rechtszekerheidsbeginsel en het verbod op reformatio in peius hem beschermen. De rechtbank verwerpt deze stellingen omdat het hier gaat om een nieuwe beschikking voor een nieuw object en belanghebbende als ervaren vastgoedbelegger had moeten voorzien dat de objectafbakening zou worden gecorrigeerd.
Het beroep wordt ongegrond verklaard en er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door rechter L.P. Hertsig en griffier E.A.D. Dockx op 20 juni 2019 te Breda.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende wordt ongegrond verklaard en de objectafbakening mag worden hersteld met nieuwe WOZ-beschikkingen en aanslagen.