Uitspraak
1.Onderzoek van de zaak
2.De tenlastelegging
3.De voorvragen
4.De beoordeling van het bewijs
5.De beslissing
spreekt verdachte vrijvan het onder primair en subsidiair tenlastegelegde feit.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde de zaak tegen verdachte die werd verdacht van het plegen van ontuchtige handelingen met een minderjarige in de periode 2006-2008 in Bergen op Zoom. De officier van justitie baseerde zich op de verklaring van het slachtoffer, een getuigenverklaring en een door het slachtoffer getekende plattegrond van de woning.
De verdediging voerde aan dat de verklaringen inconsistent waren, de plattegrond niet overeenkwam met de feitelijke situatie en dat er onvoldoende wettig bewijs was. De rechtbank benadrukte dat in zedenzaken extra zorgvuldigheid geboden is bij de bewijswaardering, vooral wanneer slechts één getuige en de verdachte aanwezig zijn.
De rechtbank oordeelde dat de verklaring van de getuige slechts van horen zeggen was en onvoldoende steunbewijs bood. Ook de plattegrond leverde onvoldoende bewijs. Ondanks dat de rechtbank niet twijfelde aan de waarheidsgetrouwheid van het slachtoffer, was het bewijs niet wettig en overtuigend genoeg. Daarom sprak de rechtbank verdachte vrij van alle tenlastegelegde feiten.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs van ontuchtige handelingen met een minderjarige.