Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.De procedures
2.De feiten
3.De verzoeken en het verweer
€ 795.063,-- en een negatieve winstmarge van 34,4%. [naam A] is het niet eens met het besluit van het UWV dat er door haar geen formeel besluit zou zijn genomen en er geen bedrijfsplan ligt aangezien daarvan wel sprake is. Herplaatsing van [naam B] is niet mogelijk en van een opzegverbod is geen sprake.
“de organisatie kan zonder jou”en [naam A] zich bij de voorgelegde functies negatief opstelde. [naam A] betwist dat zij ernstig verwijtbaar heeft gehandeld en stelt dat zij [naam B] niet tewerk gesteld wilde hebben omdat zij eerst de procedure bij de kantonrechter wilde afwachten. Bovendien had [naam B] zelf al een e-mail aan het personeel heeft gezonden met de mededeling vrijgesteld te zijn van haar werk tot het einde van het dienstverband. Verder stelt [naam A] dat zij haar best heeft gedaan om vacatures te vinden en het jammer te vinden dat [naam B] de aangeboden vacatures als pijnlijk heeft ervaren.
– zoals [naam B] stelt – een oneigenlijke grond heeft aangevoerd voor de ontbinding. In zoverre heeft [naam A] niet ernstig verwijtbaar gehandeld jegens [naam B] .
5.De beslissing
18 april 2019.