Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
uitspraak van 2 april 2019 van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[verzoeker] , te [woonplaats] , verzoeker,
de burgemeester van de gemeente Borsele (de burgemeester), verweerder.
Procesverloop
In het nieuwe besluit is de burgemeester alsnog ingegaan op de door verzoeker ingediende zienswijze.
Overwegingen
• 63 xtc-pillen;
• 7 ponypacks cocaïne;
• € 1.045,- in de portemonnee van verzoeker.
Tevens is in de rapportage opgenomen dat handel in hard- en/of softdrugs vanuit de woning niet is aangetoond.
“Beleidsnota bestuurlijke handhaving artikel 13b Opiumwet gemeente Borsele”(Beleidsregels).
Over de aangetroffen € 19.000,- heeft verzoeker het volgende verklaard:
“Het geld wat hier lag was spaargeld met name voor [naam dochter] . Ik kon dit niet op de bank zetten daar het dan in beslag genomen wordt door deurwaarders. Mijn ex partner heeft hoge schulden en al het geld wat ik verdien zal dan aan schulden uitgegeven worden terwijl ik dit spaar om [naam dochter] een goede toekomst te geven en ervoor te zorgen dat zij naar school kan en kan gaan studeren als zij straks van de middelbare school af komt.”Tijdens de zitting heeft verzoeker aangegeven dat de € 19.000,- gespaard zijn met door hem gedurende de afgelopen jaren ontvangen nachtvergoedingen vanuit zijn werk als internationaal vrachtwagenchauffeur.
"daartoe aanwezig"moeten de drugs met een bepaalde bestemming aanwezig zijn, dat wil zeggen voor verkoop, aflevering of verstrekking. In vaste rechtspraak wordt daarbij als uitgangspunt aanvaard dat bij aanwezigheid van meer dan 0,5 gram harddrugs of 5,0 gram softdrugs - de door het openbaar ministerie gehanteerde criteria voor eigen gebruik - de aangetroffen drugs in beginsel geacht worden geheel of deels bestemd te zijn voor de verkoop, aflevering of verstrekking. Het ligt in dat geval op de weg van de rechthebbenden op het pand om het tegendeel aannemelijk te maken. Indien het tegendeel niet aannemelijk wordt gemaakt, is de burgemeester ingevolge artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet bevoegd om voor het pand een last onder bestuursdwang op te leggen.
7 cocaïne zakjes er 5 leeg waren, dat van de 10 zakjes speed er 8 leeg waren en dat het wat naast de xtc-pillen verder is aangetroffen slechts minimale hoeveelheden betrof-, zijn de hoeveelheden niet bekend, zodat de voorzieningenrechter deze in de verdere beoordeling buiten beschouwing laat. Omdat de aangetroffen hoeveelheid van 63 xtc-pillen de 0,5 gram overschrijdt, mocht de burgemeester er – behoudens tegenbewijs – dus vanuit gaan dat die xtc-pillen bestemd waren voor verkoop, aflevering of verstrekking. Verzoeker is er naar het oordeel van de voorzieningenrechter in deze procedure niet in geslaagd om het tegendeel aannemelijk te maken. Hij heeft gesteld dat deze pillen voor eigen gebruik waren, dat hij een sporadisch gebruiker is, dat hij ze al een jaar had en dat de helft daarvan compleet verkruimeld was. Hoewel de voorzieningenrechter de stelling van verzoeker niet op voorhand onaannemelijk acht, heeft verzoeker die stelling in deze procedure niet op enige wijze onderbouwd, zodat de voorzieningenrechter daaraan voorbij gaat. Dit betekent dat de burgemeester naar het oordeel van de voorzieningenrechter op zichzelf bevoegd was om op grond van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet een last onder bestuursdwang op te leggen.
"Sluiting acht ik noodzakelijk om de loop naar het pand, en de daarmee samenhangende overlast, dreiging en verdere negatieve effecten van de handel in drugs op het openbare leven, weg te halen. Dat belang weegt naar mijn mening zwaarder dan de belangen van de heer [verzoeker] ". Nu op grond van de Bestuurlijke Rapportage vast staat dat er niet gebleken is van een loop naar het pand, is de voorzieningenrechter van oordeel dat de burgemeester in dit geval onvoldoende en onjuist heeft gemotiveerd dat sluiting van de woning van verzoeker met het oog hierop noodzakelijk was. De voorzieningenrechter wijst in dit verband op de uitspraken van de AbRS van 29 november 2017 (ECLI:NL: RVS: 2017:3251) en van 4 juli 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:2241).
Griffierecht en proceskosten
Beslissing
- wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe en schorst primair besluit II tot zes weken na de bekendmaking van de door de burgemeester te nemen beslissing op bezwaar;
€ 1.024,-.