Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Onderzoek van de zaak
2.De tenlastelegging
3.De voorvragen
4.De beoordeling van het bewijs
5.De beslissing
spreekt verdachte vrijvan het hem primair en subsidiair tenlastegelegde.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Op 1 april 2018 ontstond een incident te Rilland waarbij verdachte met een verreiker zou hebben geprobeerd twee brandweerlieden opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen of hen te bedreigen. De officier van justitie stelde dat verdachte met aanzienlijke snelheid op de brandweerlieden was ingereden, waarbij hij opzet had op zwaar letsel en bedreiging.
De verdediging voerde aan dat de feiten niet met zekerheid konden worden vastgesteld vanwege tegenstrijdige getuigenverklaringen en het ontbreken van technisch onderzoek. De rechtbank onderzocht de verklaringen van brandweerlieden, verbalisanten, verdachte en omstanders en constateerde dat er sprake was van een voorgeschiedenis en onderling overleg, wat de betrouwbaarheid van de verklaringen beïnvloedde.
De rechtbank stelde vast dat de verklaringen over de snelheid, rijrichting en afstand van de verreiker tot de brandweerlieden te uiteenlopend en inconsistent waren om met voldoende zekerheid vast te stellen dat verdachte opzettelijk handelde. Hierdoor kon het vereiste opzet niet worden bewezen. De rechtbank sprak verdachte vrij van alle tenlastegelegde feiten wegens onvoldoende bewijs.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs voor poging zware mishandeling en bedreiging met een verreiker.