Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.De procedure
- de dagvaarding
- de mondelinge behandeling en de daartoe ingediende stukken
- de pleitnota van [eiseres]
- de pleitnota van [gedaagde] .
2.De feiten
3.Het geschil
4.De beoordeling
980,00
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
De zorgaanbieder [eiseres] vorderde dat het zorgkantoor [gedaagde] werd verplicht een overeenkomst te sluiten voor het verlenen van zorg onder de Wet langdurige zorg (Wlz) voor 2019-2020. [eiseres] voert persoonlijke verzorging en verpleging uit en had voor 2018 een overeenkomst met het zorgkantoor, maar werd geweigerd voor 2019-2020 vanwege niet-naleving van voorwaarden.
De belangrijkste geschilpunten betroffen het toezichthoudend orgaan, dat meervoudig samengesteld moet zijn en waarvan de samenstelling kenbaar moet zijn uit het handelsregister, en de eis dat zorgaanbieders ten minste twee derde van de zorg zelf moeten leveren en niet grotendeels mogen doorcontracteren. [eiseres] had slechts één commissaris en voldeed niet aan de 2/3-eis omdat de arbeidscontracten niet met haar waren gesloten.
De rechtbank oordeelde dat de voorwaarden helder en ondubbelzinnig zijn en dat [eiseres] ten tijde van inschrijving niet voldeed aan de eisen. Het gelijkheidsbeginsel verplicht het zorgkantoor de voorwaarden voor alle inschrijvers gelijk toe te passen. Een belangenafweging leidde niet tot een andere uitkomst. De vorderingen werden afgewezen en [eiseres] werd veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De rechtbank wijst de vorderingen af en veroordeelt eiseres in de proceskosten.