Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Beslissing
2.Gronden
;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende, woonachtig in Turkije, maakte bezwaar tegen de afwijzing van zijn verzoek om als binnenlandse belastingplichtige te worden behandeld voor de jaren 2015 en 2016. De regeling voor kwalificerende buitenlandse belastingplicht, ingevoerd per 1 januari 2015, sluit inwoners van Turkije uit omdat dit land niet in de landenkring is opgenomen.
Belanghebbende stelde dat deze uitsluiting discriminerend is, mede op grond van verdragsbepalingen zoals artikel 24 van Pro het Verdrag met Turkije, artikel 14 EVRM Pro en artikel 26 IVBPR Pro. De rechtbank oordeelde echter dat inwoners van Turkije niet vergelijkbaar zijn met inwoners van Zwitserland of de BES-eilanden, die wel onder de regeling vallen, vanwege verschillen in verdragsstatus en juridische positie.
De rechtbank concludeerde dat er geen sprake is van verboden discriminatie en dat de wetgever een ruime beoordelingsvrijheid heeft bij het maken van dit onderscheid, mede ingegeven door uitvoerbaarheid en eenvoud van de wetgeving. Het verzoek om prejudiciële vragen aan de Hoge Raad te stellen werd afgewezen. De beroepen van belanghebbende werden ongegrond verklaard.
Uitkomst: De beroepen van belanghebbende zijn ongegrond verklaard en hij heeft geen recht op binnenlandse belastingplicht onder artikel 7.8 Wet IB 2001.