ECLI:NL:RBZWB:2018:5827

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
4 april 2018
Publicatiedatum
11 oktober 2018
Zaaknummer
C/02/337288 / HA ZA 17-712
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • Gimbrère-Straetmans
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 96 RvArt. 128 lid 3 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevoegdheid rechtbank bij forumkeuze in samenlevingsovereenkomst niet van toepassing op toekomstige geschillen

In deze civiele bodemzaak vordert de man dat de rechtbank zich onbevoegd verklaart vanwege een forumkeuzebeding in een samenlevingsovereenkomst waarin werd bepaald dat geschillen aan de kantonrechter moeten worden voorgelegd. De vrouw betwist dit en stelt dat het beding nietig is omdat het een vooraf overeengekomen prorogatie betreft die niet is toegestaan onder artikel 96 Rv Pro.

De rechtbank overweegt dat sinds de integratie van kantonrechters in rechtbanken in 2002 geen sprake meer kan zijn van onbevoegdheid van de rechtbank zelf, maar hooguit van de vraag of de zaak naar de sector kanton moet worden verwezen. De rechtbank concludeert dat een vooraf overeengekomen keuze om toekomstige geschillen aan de kantonrechter voor te leggen buiten de grenzen van artikel 96 Rv Pro valt en derhalve nietig is.

De vordering tot onbevoegdverklaring wordt afgewezen. De beslissing over de kosten van het incident wordt aangehouden tot de hoofdzaak. De zaak wordt op 16 mei 2018 opnieuw op de rol gezet voor conclusie van antwoord.

Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering tot onbevoegdverklaring af en verklaart zich bevoegd.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

locatie Breda
Cluster II Handelszaken
zaaknummer / rolnummer: C/02/337288 / HA ZA 17-712
Vonnis in incident van 4 april 2018
in de zaak van
[eiseres],
wonende te [woonplaats] ,
eiseres in de hoofdzaak,
verweerster in het incident,
advocaat mr. R.J. Sparreboom te Spijkenisse,
tegen
[gedaagde],
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde in de hoofdzaak,
eiser in het incident,
advocaat mr. A.A.M. Simons te Breda.
Partijen zullen hierna de vrouw en de man genoemd worden.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding met producties genummerd 1 tot en met 5;
  • de incidentele conclusie tot onbevoegdverklaring;
  • de incidentele conclusie van antwoord.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2.De vordering in het incident

2.1.
De man vordert dat de rechtbank zich onbevoegd verklaart om van de vorderingen in de hoofdzaak kennis te nemen.
2.2.
De vrouw voert verweer.
2.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

3.De beoordeling in het incident

3.1.
De incidentele vordering is gelet op artikel 128 lid 3 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) tijdig ingesteld, zodat de man in zoverre in zijn vordering kan worden ontvangen.
3.2.
De man voert het navolgende aan. De door de vrouw in de hoofdzaak ingestelde vorderingen vinden hun grondslag in de tussen partijen op 6 april 2017 gesloten samenlevingsovereenkomst en nadere overeenkomsten die daarvan het gevolg zijn. In de samenlevingsovereenkomst is bepaald dat alle geschillen die ontstaan naar aanleiding van die overeenkomst dan wel van de nadere overeenkomsten, in eerste en hoogste instantie zullen worden beslist door de daartoe bevoegde rechtbank, sector kanton, tenzij partijen een andere beslechting overeenkomen. De man stelt dat hij ten tijde van het uitbrengen van de inleidende dagvaarding woonplaats had te [woonplaats] . Dit alles betekent dat de in de samenlevingsovereenkomst gemaakte forumkeuze en afspraken omtrent de absolute bevoegdheid in eerste en hoogste instantie, met zich mee brengen dat niet de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Breda bevoegd is kennis te nemen van de vorderingen in de hoofdzaak, maar de sector kanton van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Bergen op Zoom.
3.3.
De vrouw betwist dat op grond van de bepalingen in de samenlevingsovereenkomst uitsluitend de rechtbank Zeeland-West-Brabant, sector kanton, locatie Bergen op Zoom bevoegd zou zijn om van onderhavige kwestie kennis te nemen. Volgens de vrouw zien die betreffende bepalingen in de samenlevingsovereenkomst op een vorm van prorogatie zoals bedoeld in artikel 96 Rv Pro, namelijk om geschillen aan de kantonrechter voor te leggen ook al is deze rechter volgens de wettelijke bepalingen niet bevoegd. Dit is volgens de vrouw binnen zekere grenzen mogelijk, maar niet in onderhavig geval, nu de afspraken zijn gemaakt vóór het gerezen geschil. Artikel 96 Rechtsvordering Pro (hierna: Rv) laat niet toe dat vooraf wordt overeengekomen dat toekomstige geschillen in eerste en hoogste instantie aan de kantonrechter worden voorgelegd. Het betreffende beding in de samenlevingsovereenkomst is nietig, aldus de vrouw.
3.4.
De rechtbank overweegt als volgt.
In de eerste plaats kan geen sprake zijn van onbevoegdheid van de rechtbank, nu de kantongerechten sedert 2002 geïntegreerd zijn in de rechtbanken. Hooguit zou aan de orde kunnen komen of
verwijzingmoet plaatsvinden naar de sector kanton.
De vraag ligt vervolgens voor of de keuze voor de kantonrechter onder het kopje
“ rechtskeuze/geschillen” sub 2 in de samenlevingsovereenkomst ertoe leidt dat die verwijzing in het onderhavige geval moet plaatsvinden. Prorogatie is thans neergelegd in artikel 96 Rv Pro. Voor 1 januari 2002 was dat artikel 43 Wet Pro op de Rechterlijke Organisatie. Aangenomen werd dat alleen nadat een geschil was gerezen partijen op de voet van artikel 96 Rv Pro konden kiezen voor de kantonrechter. Onduidelijk is of dat op grond van 96 Rv nog steeds het geval is. De kantonrechtspraak is als zodanig binnen de rechtspraak blijven bestaan, met een taakafbakening die overeenkomt met de vroegere absolute competentie. De huidige wetgeving noch de Hoge Raad geven aanknopingspunten die aanleiding geven tot een ruimere invulling van de mogelijkheid tot prorogatie. Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat moet worden aangenomen dat een vooraf overeengekomen keuze om toekomstige geschillen aan de kantonrechter voor te leggen, buiten de grenzen van artikel 96 Rv Pro valt. Daarbij komt nog dat de tekst van artikel 96
(“kunnen zij zich samen tot een kantonrechter van hun keuze wenden”)erop duidt dat partijen enkel
gezamenlijkhet geschil zouden kunnen voorleggen aan de kantonrechter, hetgeen hier niet het geval is.
De vordering in het incident zal derhalve worden afgewezen.
3.5.
De rechtbank zal de beslissing omtrent de kosten van het incident aanhouden, totdat in de hoofdzaak zal worden beslist.

4.De beslissing

De rechtbank
in het incident
4.1.
wijst het gevorderde af,
4.2.
houdt de beslissing omtrent de kosten van het incident aan,
in de hoofdzaak
4.3.
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van
16 mei 2018voor conclusie van antwoord.
Dit vonnis is gewezen door mr. Gimbrère-Straetmans en in het openbaar uitgesproken op 4 april 2018, [1] in tegenwoordigheid van mr. Van der Plas, griffier.

Voetnoten

1.type: