Uitspraak
1.Het verdere verloop van het geding
2.Het geschil
3.De beoordeling
€ 25.000,--. De boete is niet bovenmatig en voor matiging van de boete is geen aanleiding. ABAB heeft door de overtreding van [gedaagde] ook schade geleden door een zeer ervaren medewerker kwijt te raken en zij heeft die functie tot op heden niet kunnen invullen. Voorts maakt ABAB aanspraak op de verschuldigde wettelijke rente vanaf 7 juli 2017 omdat [gedaagde] bij brief van 30 juni 2017 een termijn tot betaling van de boete is gegeven van één week. ABAB heeft buitengerechtelijke kosten gemaakt voor werkzaamheden anders dan kosten waarvoor de proceskostenveroordeling geacht wordt een vergoeding in te sluiten. ABAB vordert vergoeding door [gedaagde] van de buitengerechtelijke incassokosten van
€ 2.025,--.
‘beding tussen werkgever en werknemer waarbij deze laatste wordt beperkt in zijn bevoegdheid om na het einde van de arbeidsovereenkomst op zekere wijze werkzaam te zijn’. Wat exact onder de bewoordingen
“op zekere wijze werkzaam te zijn”moet worden verstaan, wordt niet duidelijk gemaakt in de wetgeschiedenis. In de Memorie van Toelichting (Kamerstukken 2001-2002, 28167 nr. 3) staat dat het wenselijk is dat het beding in ieder geval de activiteiten aangeeft die onder de beperking vallen. Nu de omschrijving “op zekere wijze werkzaam te zijn” ruim is, dient dit naar het oordeel van de kantonrechter ook ruim opgevat te worden en valt onder de omschrijving van artikel 7:653 lid 1 BW Pro méér dan alleen een ‘standaard’ concurrentiebeding. Algemeen wordt inmiddels ook aangenomen dat een relatiebeding onder artikel 7:653 lid 1 BW Pro valt en de Hoge Raad heeft dit in haar arrest van 3 maart 2017 (AR 2017, 245) expliciet bevestigd.
(2 punten x € 400,--) aan salaris voor de gemachtigde van [gedaagde] .
4.De beslissing
17 januari 2018.