Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Onderzoek van de zaak
2.De gewijzigde tenlastelegging
3.De voorvragen
4.De beoordeling van het bewijs
5.De benadeelde partij
6.De beslissing
spreekt verdachte vrijvan het tenlastegelegde feit;
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde de zaak van verdachte die werd beschuldigd van verkrachting en subsidiair ontucht met een meisje tussen 12 en 16 jaar. De officier van justitie baseerde haar vordering op de aangifte van de moeder, WhatsApp-berichten, een studioverhoor en DNA-onderzoek. De verdediging betwistte de bewijsvoering en wees op inconsistenties in de verklaringen van het slachtoffer en de beperkte waarde van het DNA-onderzoek.
De rechtbank oordeelde dat het bewijs onvoldoende was om buiten redelijke twijfel vast te stellen dat de tenlastegelegde handelingen hadden plaatsgevonden. De DNA-sporen waren beperkt en konden ook afkomstig zijn van familieleden in de mannelijke lijn, terwijl de exacte vindplaats van het DNA onduidelijk was. De verklaringen van het slachtoffer en haar moeder kwamen uit dezelfde bron, waardoor er geen zelfstandig bewijsmiddel was dat de aangifte voldoende ondersteunde.
Daarom sprak de rechtbank verdachte vrij van de tenlastelegging. De vordering tot schadevergoeding van het slachtoffer werd niet-ontvankelijk verklaard omdat de strafzaak niet tot een veroordeling leidde. Tevens werd het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis opgeheven.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs.