De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde op 15 november 2017 de verzoeken van de gecertificeerde instelling (GI), de moeder en de vader betreffende de ondertoezichtstelling van een minderjarige en de schriftelijke aanwijzing aan de moeder.
De ondertoezichtstelling van de minderjarige was sinds 2014 van kracht en was reeds meerdere malen verlengd. De GI verzocht om verdere verlenging, terwijl de moeder verzocht om vervallenverklaring van de schriftelijke aanwijzing en wijziging van de omgangsregeling. De GI wilde de schriftelijke aanwijzing bekrachtigen en een dwangsom opleggen.
De rechtbank constateerde dat de situatie van de minderjarige, los van het contact met de vader, goed was en dat de moeder de opvoeding adequaat verzorgde. De omgangsregeling met de vader leidde tot problemen bij de minderjarige, die geen contact wenst. De rechtbank oordeelde dat verlenging van de ondertoezichtstelling geen doel meer dient en wees het verzoek af. Tevens verklaarde zij de verzoeken tot vervallenverklaring en bekrachtiging van de schriftelijke aanwijzing niet-ontvankelijk wegens gebrek aan belang.