Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Feiten
3.Geschil
4.Beoordeling van het geschil
5.Proceskosten
6.Beslissing
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende exploiteert onroerend goed en vormde in 2009 een herinvesteringsreserve (HIR) naar aanleiding van de verkoop van appartementsrechten. De inspecteur stelde bij de aanslag vennootschapsbelasting 2012 vast dat een groot deel van deze HIR nog niet was vrijgevallen en bracht deze ten laste van de winst. Belanghebbende had in 2011 de HIR boekhoudkundig afgeboekt, maar slechts een klein deel ten gunste van de winst gebracht.
De rechtbank oordeelt dat de HIR 2009 ultimo 2012 nog bestond omdat er geen daadwerkelijke herinvestering had plaatsgevonden binnen het wettelijk toegestane tijdvak. De inspecteur mocht daarom de HIR in 2012 laten vrijvallen en bij de winst betrekken. Het feit dat belanghebbende de HIR in 2011 boekhoudkundig wilde afboeken, maar dit niet correct verwerkte, leidt niet tot een andere uitkomst.
Ook het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt niet, omdat het vertrouwen dat de HIR in 2011 was afgerond niet gerechtvaardigd was. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en legt geen proceskostenveroordeling op.
Uitkomst: Het beroep tegen de aanslag vennootschapsbelasting 2012 wordt ongegrond verklaard en de aanslag gehandhaafd.