Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Onderzoek van de zaak
2.De tenlastelegging
3.De voorvragen
4.De beoordeling van het bewijs
5.De beslissing
spreekt verdachte vrijvan de primair en subsidiair aan hem tenlastegelegde feiten;
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde op 10 oktober 2017 de zaak tegen verdachte, die werd verdacht van deelname aan een terroristische organisatie in Syrië en/of Irak en poging daartoe. Verdachte zou in 2013 in een trainingskamp in Syrië of Turkije hebben verbleven en in 2016 hebben geprobeerd via de Balkanroute naar Syrië te reizen. Daarnaast werd hem ten laste gelegd dat hij websites bezocht en filmpjes bekeek over terroristische organisaties.
De rechtbank overwoog dat hoewel verdachte in 2013 in een trainingskamp in het grensgebied Syrië verbleef en daar training ontving, onvoldoende bewijs bestond dat het kamp tot een terroristische organisatie behoorde. De verklaringen van moeder, broer en een vriend waren weliswaar onafhankelijk en inhoudelijk consistent, maar konden niet bevestigen dat sprake was van deelneming aan een terroristische organisatie. Ook de bezoeken aan websites en filmpjes in 2016 en de treinreis richting Hongarije waren onvoldoende om deelneming of poging daartoe te bewijzen.
De rechtbank benadrukte het juridisch kader waarbij deelneming aan een terroristische organisatie vereist dat de organisatie een duurzaam samenwerkingsverband is met het oogmerk terroristische misdrijven te plegen. Hoewel jihadistische groepen als IS en Jabhat al-Nusra als terroristische organisaties zijn erkend, ontbrak bewijs dat verdachte daadwerkelijk deelnam aan een dergelijke organisatie.
Gelet op het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs sprak de rechtbank verdachte vrij van alle tenlastegelegde feiten, hief de voorlopige hechtenis op en beval onmiddellijke invrijheidstelling.
Uitkomst: Verdachte is vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs van deelneming aan een terroristische organisatie.