Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Rasenbergen Bouw B.V.,
1.Het procesverloop
2.De feiten
3.Het verzoek
4.Het verweer en het tegenverzoek
€ 45.000,00. Rasenberg heeft daartegen verweer gevoerd.
5.De beoordeling
onkundec.q.
onmacht(disfunctioneren) en
onwilc.q.
moedwil(verwijtbaar handelen, wangedrag) (vgl. Beleidsregels ontslagtaak UWV, hoofdstuk 26). Uit de in het geding gebrachte stukken kan (hooguit) worden opgemaakt dat [verweerder] een en ander financieel niet altijd onder controle heeft gehad en/of niet adequaat op een en ander heeft gereageerd (hetgeen dan betrekking heeft op zijn onkunde), maar niet gebleken is dat [verweerder] moedwillig Rasenberg onjuist heeft geïnformeerd rondom het project in Bergen op Zoom. Dat Rasenberg over de vertraging (en daarmee de kans op het verbeuren van de contractuele boetes) van het project in Bergen op Zoom op de hoogte was, althans had kunnen zijn, blijkt bovendien uit het MT-verslag d.d. 14 januari 2016 en het e-mailbericht d.d. 28 oktober 2016 (aanvullende productie 13 aan de zijde van [verweerder] ), de memo d.d. 18 januari 2017 (aanvullende productie 7 aan de zijde van [verweerder] ) en de memo d.d. 6 februari 2017 (productie 4 verweerschrift). Bovendien kunnen de door Rasenberg onder rechtsoverweging 3.2.2. en 3.2.3. aangevoerde feiten en omstandigheden – voor zover deze juist moge zijn – niet worden gekwalificeerd als ‘verwijtbaar handelen, zodanig dat van de werkgever in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren’. Daarmee is onvoldoende komen vast te staan dat sprake is van een voldragen ontslaggrond op grond van de e-grond.
Werknemer en werkgever stellen vast en komen overeen dat er geen sprake is van opvolgend werkgeverschap. Werkgever kan door partijen derhalve niet als opvolgend werkgever worden aangemerkt” en “
Partijen stellen derhalve vast en komen overeen dat er geen sprake is van een voortgezet dienstverband in de zin van artikel 7:667 of Pro 668a BW” en “
Partijen zijn overeengekomen dat bovenstaande bepalingen dienen te gelden als een vaststellingsovereenkomst conform art. 7:900 BW Pro, zodat de artikelen 7:900 BW ev. van toepassing zijn”. Bij een vaststellingsovereenkomst binden partijen zich, ter voorkoming van onzekerheid, aan een vaststelling van de situatie. Zo´n vaststellingsovereenkomst op vermogensrechtelijk gebied is ook geldig als deze in strijd is met dwingend recht (zoals onderhavige bepalingen met betrekking tot opvolgend werkgeverschap). De enige uitzondering daarop is als de inhoud of strekking van de vaststellingsovereenkomst in strijd is met de goede zeden of de openbare orde (artikel 7:902 BW Pro). Hoewel [verweerder] ter zitting heeft gesteld dat de door partijen gesloten vaststellingsovereenkomst in strijd is met de openbare orde, heeft hij dit standpunt niet nader onderbouwd, zodat aan die stelling voorbij wordt gegaan. Partijen zijn dan ook gebonden aan de tussen hen overeengekomen indiensttredingsdatum van 17 maart 2014. Rasenberg is derhalve een transitievergoeding aan [verweerder] verschuldigd ter hoogte van € 9.979,33 bruto.
Kamerstukken II, 2013-2014, 33 818, nr. 3, pag. 34). Een dergelijke situatie doet zich hier niet voor. Hetgeen [verweerder] daartoe aanvoert onder alinea 6.4 van zijn verweerschrift vormt geen grovelijke schending van de verplichtingen die Rasenberg jegens [verweerder] heeft. Immers, de onderhandelingen in het kader van een mogelijke beëindigingsovereenkomst, de daarop volgende non-actiefstelling en het terugvorderen (en ‘uitlezen’) van de aan Rasenberg toebehorende bedrijfsauto en -creditcard zijn handelingen die wellicht door [verweerder] als onprettig zijn ervaren, maar zijn geen handelingen die in het kader van een mogelijke beëindiging van de arbeidsovereenkomst kunnen worden opgevat als het doelbewust beschadigen van [verweerder] . Dat door deze handelwijze door Rasenberg een ontslaggrond is gecreëerd staat op grond van bovenstaande dan ook evenmin vast.