Op 16 oktober 2016 ontstond in Vlissingen een confrontatie waarbij verdachte en zijn vriend werden aangevallen door een groep, waaronder het slachtoffer. Verdachte greep in om zijn bewusteloze vriend te beschermen en raakte betrokken in een gevecht waarbij hij werd geslagen, vastgehouden en naar de grond gewerkt. In deze chaotische situatie maakte verdachte afweerbewegingen met een mes, waarbij het slachtoffer vijf messteken opliep.
De rechtbank stelde vast dat verdachte voorwaardelijk opzet had op de dood door het gebruik van het mes, waarmee poging tot doodslag wettig en overtuigend bewezen werd. De verdediging voerde een beroep op noodweerexces aan, stellende dat verdachte uit heftige gemoedsbeweging handelde door de herhaalde en ernstige aanvallen op hem en zijn vriend.
De rechtbank oordeelde dat hoewel de verdediging met het mes buiten proportie was, deze overschrijding het gevolg was van een hevige gemoedsbeweging veroorzaakt door de aanrandingen. Hierdoor slaagde het beroep op noodweerexces en werd verdachte ontslagen van alle rechtsvervolging. De vordering van het slachtoffer tot schadevergoeding werd niet-ontvankelijk verklaard.