ECLI:NL:RBZWB:2017:5298
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Bevel tot sluiting horeca-inrichting wegens wapens en harddrugsgebruik
Verzoekster, exploitant van een horecagelegenheid in Tilburg, stelde beroep in tegen het besluit van de burgemeester om haar horecagelegenheid voor zes weken te sluiten op grond van artikel 34 van Pro de Algemene plaatselijke verordening (APV). De burgemeester baseerde het sluitingsbevel op de aanwezigheid van twee messen zonder vergunning en circa twintig lege gripzakjes met restanten cocaïne, wat volgens hem een gevaar voor de openbare orde en veiligheid oplevert.
Tijdens de zitting op 10 augustus 2017 heeft de voorzieningenrechter het beroep behandeld en direct in de hoofdzaak uitspraak gedaan. Verzoekster voerde aan dat er geen ernstige incidenten waren en dat de financiële gevolgen bijzonder zwaar wogen, maar deze argumenten werden verworpen. De rechter oordeelde dat het beleid van de burgemeester niet onredelijk was en dat de aanwezigheid van wapens en drugsresten voldoende aanleiding gaf voor sluiting.
De rechtbank benadrukte dat de bevoegdheid tot sluiting een discretionaire bevoegdheid van de burgemeester is, die terughoudend wordt getoetst. De combinatie van de aangetroffen messen en de harddrugsresten rechtvaardigt volgens de rechter het oordeel dat het openhouden van de inrichting een ernstig gevaar voor de openbare orde en veiligheid vormt. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen het sluitingsbevel van de horecagelegenheid wordt ongegrond verklaard en de sluiting voor zes weken gehandhaafd.