Uitspraak
1.Het verloop van het geding
2.Het geschil
3.De beoordeling
Werknemer treedt bij werkgever in dienst per 30 april 2015 in de functie van accountmanager.
1. Het salaris van de werknemer bedraagt € 1.782,50 bruto per maand.
2. (…) Daarnaast is de volgende bruto provisie regeling van toepassing op de eigen accounts van werknemer:
Bijgaand tref je het overzicht voor wat betreft de provisie; we zijn uit coulance uitgegaan van berekening vanaf 1 januari 2015. (…) Het provisiebedrag komt daarmee op bruto:€ 247,42, netto komt dit neer op € 137,76 (bijzonder tarief 42% + 2,32%); op dit bedrag moeten we nog de verkeersboete inhouden van € 237,-”
-[eiseres] heeft geen provisie van [gedaagde] ontvangen.
van deze algehele en finale kwijting worden uitsluitend uitgezonderd de aanspraak die werknemer meent te hebben op provisie van [naam 8] , zulks op basis van artikel 4 lid 2 van Pro de arbeidsovereenkomst van 30 april 2015.”Naar het oordeel van de kantonrechter dient daaruit te worden afgeleid dat de aanspraak op provisie van de finale kwijting is uitgezonderd, voor zover het gaat over de periode na 30 april 2015. Voor zover [eiseres] stelt dat moet worden uitgegaan van een langere periode volgt de kantonrechter [eiseres] niet. Gelet op het feit dat [eiseres] zich ten tijde van het sluiten van de vaststellings-overeenkomst heeft laten bijstaan door een juridisch adviseur, had het voor de hand gelegen dat, indien partijen hadden bedoeld uit te gaan van een langere periode (namelijk reeds vanaf van januari 2015), dit ook uitdrukkelijk in de vaststellingsovereenkomst zou zijn opgenomen. Anders dan [eiseres] stelt kan uit de tekst van de e-mail van [gedaagde] van 28 september 2015 aan [eiseres] , niet worden afgeleid dat de bedoeling van partijen was dat de aanspraak op provisie gold vanaf 1 januari 2015, nu als onweersproken gesteld vaststaat dat deze mededeling is gedaan lopende een mediationtraject en uit de tekst blijkt dat [gedaagde] “uit coulance” – en dus onverplicht – is uitgegaan van berekening vanaf 1 januari 2015, terwijl voorts deze mededeling is gedaan geruime tijd vóór de totstandkoming van de vaststellingsovereenkomst, waarin een andere afspraak is vastgelegd.
4.De beslissing
woensdag 8 maart 2017 te 09.00 uur, voor het nemen van een akte na tussenvonnis door [eiseres] zoals bedoeld in overwegingen 3.14, 3.15 en 3.16;