Uitspraak
1.[gedaagde 1] ,
[gedaagde 2] ,
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
De Stichting Woonkwartier vordert dat wordt verklaard dat tussen haar en de gedaagden geen voortzetting is van de (onder)huurovereenkomst van een woning te [woonplaats] en dat gedaagden zonder recht of titel de woning bezetten sinds 1 februari 2016. Woonkwartier baseert dit op de opzegging van de huurovereenkomst door de oorspronkelijke huurder en het ontbreken van een geldige onderhuurovereenkomst.
Gedaagden voeren verweer en stellen dat er sprake is van een echte onderhuur en dat zij onderhuurbescherming toekomt, mede gezien hun bijzondere omstandigheden zoals de overname van een afhaalcentrum en gezinssituatie. De rechtbank stelt vast dat Woonkwartier rechtsopvolger is van de oorspronkelijke verhuurder en dat de huur door de huurder is opgezegd.
De rechtbank oordeelt dat er sprake is van pseudo-onderhuur, waarbij de huurder de woning feitelijk heeft overgedragen aan gedaagden zonder medewerking van de verhuurder, waardoor gedaagden geen aanspraak kunnen maken op onderhuurbescherming. Ook het beroep op redelijkheid en billijkheid wordt verworpen omdat dit de belangen van Woonkwartier en andere woningzoekenden schaadt.
De primaire vorderingen van Woonkwartier worden toegewezen en gedaagden worden veroordeeld de woning binnen één maand na betekening van het vonnis te ontruimen. Tevens worden zij veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Gedaagden moeten de woning binnen één maand na betekening ontruimen wegens pseudo-onderhuur zonder onderhuurbescherming.